Masochisme als medicijn; Georges-Arthur Goldschmidt over zijn jeugd

Georges-Arthur Goldschmidt: Die Absonderung. Uitg. Ammann, 178 blz. Prijs ƒ 47,60.

Wegens zijn joodse afkomst werd Georges-Arthur Goldschmidt (1928) op elfjarige leeftijd uit zijn geboortestad Hamburg verdreven. Hij bracht zich in Frankrijk in veiligheid, en daar, in Parijs, is hij nu docent Duitse letterkunde aan een gymnasium. Op aandringen van Peter Handke, wiens werk hij in het Frans vertaalde, besloot hij de herinneringen aan zijn vlucht in het Duits op te schrijven. Het resultaat, de novelle Die Absonderung, betekent voor Goldschmidt de hernieuwde intrede in een cultuur- en taalgebied dat hij, ondanks alles, een beetje als zijn geestelijke "Heimat' is blijven beschouwen.

Slagveld

Hoewel zelf van joodse afkomst, kent Goldschmidts naamloze held het woord "jood' aanvankelijk alleen van de zondagschool; het doet hem aan moord en doodslag denken. Wanneer hij vlak voor de oorlog samen met zijn broertje per trein naar het zuiden vlucht, is hij vervuld van "trots dat Duitsers zulke bruggen hadden gebouwd, bruggen om met metalen gedreun overheen te rijden.' Toch voelt hij zich schuldig omdat hij anders is dan andere kinderen, die hij vanuit het coupéraampje ziet spelen. Hij moet weg, zij mogen blijven. Hij is geen echte Duitser, en ook geen echte jongen, want belangstelling voor meisjes heeft hij niet. Hij weet dat hij bestraft zal worden en dat maakt hem "ademloos van verwachting'.

In het Franse kindertehuis, waar de puber na enige omzwervingen onderdak vindt, wordt hij als vanzelfsprekend de slaaf van zijn leeftijdgenoten. Hij komt immers uit het gehate Duitsland. Ook hoort hij weldra dat zijn ouders niet meer leven, en wezen zijn niets meer dan knechten: “Hij was nu eenmaal dienaar en moest voor hun wil buigen, zij hielden zijn hoofd tussen hun benen, zaten op hem en lieten zich door hem met de mond opwinden.” Dat kostscholen voornamelijk tot sadist dan wel masochist opleiden, kunnen we al in Robert Musils Verwirrungen des Zöglings Törless nalezen. Net als Törless geeft Goldschmidts jeugdige alter ego zich volledig aan de kwellingen van het internaatsleven over om, in de woorden van Musil, door te lijden een "nieuwe hartstocht' te vinden, een innerlijke kracht.

Contrast

Maar alleen bij Goldschmidt, niet bij Musil, stijgt het schaamrood je soms naar de kaken. Terwijl Törless met zijn eerder sadistisch getinte experimenten nog naar een hogere werkelijkheid zoekt, staat Goldschmidt veel nadrukkelijker stil bij het aardse genot dat het ondergaan van folteringen teweeg kan brengen. De jongen raakt danig opgewonden van het contrast tussen zijn vernedering en het trotse gevoel "dat hij het was die daar lag te kronkelen en te huilen, en dat alle anderen daarbij konden toekijken.' Pijn is iets intiems, iets dat niemand van hem kan afpakken. Op momenten waarop de anderen hem aftuigen, stelt de jongen zich tevreden voor dat hij slechts "een kleine bewustzijnskogel tussen warme naakte dijen" is.

Zo is masochistisch plezier voor Goldschmidt dan toch meer dan een doel op zichzelf, en wel een medicijn: soms verdringt die fysieke pijn de pijn van het heimwee. Voor de jongen is heimwee geen concreet gemis van dierbare personen, maar veeleer een verlangen naar de schoonheid van landstreken waar hij niet meer mag komen. Kijkend naar de Parijse huizenzee moet de schrijver later steeds weer aan het hooggebergte rond het kindertehuis denken, en op haar beurt brengt die voorstelling hem keer op keer naar het Noordduitse laagland terug. Gepassioneerd beschrijft Goldschmidt het spel van licht en donker in al die landschappen, wat tot prachtige zinnen als deze leidt: “Het was of de zon als een vinger over de toppen van een bergkam gleed.” Met Peter Handke deelt hij een voorliefde voor lijnen - wegen, kanalen, sporen in de sneeuw - die kaarsrecht en glinsterend naar de einder lopen, en voor beide auteurs hebben zulke beelden een bezwerend karakter; zij suggereren vrijheid en vrede in een wereld vol gevaar.

Triest genoeg kan de joodse jongen in Goldschmidts vertelling zich niet onbeperkt aan de Franse Alpen vergapen. Die herinneren hem immers op een smartelijke manier aan zijn kinderjaren. Alles moet hij van zich afhouden: zijn herinneringen, de Fransen, zelfs de mooie witte Alpentoppen. Deze "afzondering' herkent hij bij de andere joden die door het bergdorp trekken: ze kijken allemaal star voor zich uit, omdat ze zich nergens meer aan mogen hechten.