Italië komt zichzelf tegen in EMU-debat; In Brussel stond minister Carli tegen minister Carli te praten

ROME, 13 SEPT. De Italiaanse minister van financiën, Guido Carli, had het moeilijk, maandag in Brussel. Juist hij, die als geen andere bewindsman in eigen land aandringt op een pijnlijke financiële ingreep, moest de monetaire doelen die hij zelf steeds het kabinet voor ogen houdt, in EG-verband verwerpen.

“Een dwaling”, zo noemde hij het Nederlandse voorstel, later gedegradeerd tot een snel-leeglopende proefballon, om een aantal strakke criteria op te stellen voor toetreding in 1997 tot de "derde fase' van de Europese Monetaire Unie, met één centrale bank en één munt.

Anderen in Italië gingen nog verder en suggereerden dat het voorstel een soort racistisch achtergrond had, gericht tegen de Latijnen in Zuid-Europa. Sommigen hebben het Nederlandse plan uitgelegd “alsof de (Europese monetaire) eenheid alleen zou zijn gereserveerd voor de landen met lange, blonde en blauwogige mensen”, zei de vooraanstaande econoom Mario Monti vanmorgen in een interview met La Repubblica.

Monti verwierp dit als onzin en zei dat het plan was ingegeven door het “legitieme belang ... om niet te worden besmet door landen met een hoge inflatie, en vooral niet opgescheept te worden met de belemmerende effecten van ons (begrotings)tekort en het omhoogzuigen van de rentestand.”

Maar minister Carli had vooral oog voor het belang van Italië om de aansluiting met Europa niet te verliezen. Zijn officiële argument in Brussel was dat de Gemeenschap gezamenlijk moet beslissen, maar zijn filippica tegen het Nederlandse plan werd vooral gevoed door de angst dat Italië het niet zou halen om in 1997 aan de gestelde criteria te voldoen.

“Niemand binnen de Europese gemeenschap gelooft werkelijk dat Italië zich in de komende jaren in een aanvaardbare situatie kan brengen”, schreef de Republikeinse leider, Giorgio La Malfa, woensdag. “Italië is Europees in woorden, maar niet in staat om de inflatie te beteugelen en vooral niet om de eigen openbare financiën op orde te brengen.”

De belangrijkste reden van het Italiaanse verzet tegen het Europa van twee snelheden dat het gevolg zou zijn van het Nederlandse plan, is dat het land onder geen beding het contact met Duitsland en Frankrijk, de twee belangrijkste handelspartners, wil verliezen.

En als er een Europa van twee snelheden zou komen, is het vrijwel zeker dat Italië niet in de kopgroep zou zitten. In dit voetbalgekke land waart al maanden het spookbeeld van degradatie naar de eerste divisie rond, en alle Italianen weten hoe moeilijk het is om weer terug te komen in de Serie A.

“Het zou een ramp zijn,” zei de econoom Monti over de mogelijkheid dat Italië de aansluiting met de grote Europese landen verliest. Het land zou prestige en invloed kwijtraken, en de buitenlandse investeringen in Italië zouden teruglopen. Bovendien zou dat de doodsteek zijn “voor dat restje hoop dat we een Europese status hebben verworven,” aldus Monti.

Hij zei dat de Italiaanse regering met het verzet tegen het Nederlandse voorstel in feite aangeeft niet te geloven in haar eigen programma voor sanering van de overheidsfinanciën. “Het Nederlandse plan geeft ons vijf jaar om een bewijs van goed gedrag te geven”, zei hij. “Als (de regering) denkt het niet te redden, betekent dat impliciet dat ze niet gelooft in haar eigen programma's.”

Hoofdprobleem is het begrotingstekort. Dit drukt steeds zwaarder op de economie en op de economische verwachtingen, ook al omdat het alleen maar blijft stijgen. Het tekort van dit jaar was geraamd op 132 biljoen lire. Dat is 10,1 procent van het bruto nationaal produkt. Maar verwacht wordt dat, ondanks de Voorjaarsnota met bezuinigingen die nominaal veertien biljoen lire moesten opbrengen, aan het eind van het jaar het tekort ruim twintig biljoen lire hoger ligt.

Terwijl het tekort steeds naar boven moet worden bijgesteld, daalt de groeiverwachting. Begin dit jaar verwachtte de regering 2,4 procent economische groei. Dat is inmiddels verlaagd naar 1,4 procent. Maar de werkgeversorganisatie Confindustria, die het kabinet verwijt constant te optimistisch te zijn, maakte deze week bekend dat zij niet meer dan 0,8 tot één procent groei verwacht.

De werkgevers zeggen dat de overheid veel te veel geld uitgeeft uit inefficiëntie maar vooral om de politieke cliëntele aan zich te blijven binden. Zij roepen bijvoorbeeld al jaren om een ingrijpende wijziging van de sociale zekerheid, vooral van de staatspensioenen.

“Het moment is aangebroken om een groot blok uitgaven op te heffen. De politiek moet zich uit bepaalde sectoren terugtrekken”, zei de christen-democraat Beniamino Andreatta, voorzitter van de begrotingscommissie van de Senaat. “Onze sociale staat en de interventies in de industriepolitiek moeten worden herzien.”

Premier Andreotti heeft woensdag gezegd dat “bittere medicijnen” nodig zijn om de overheidsfinanciën te saneren, maar gezien de verkiezingen die voor midden volgend jaar zijn gepland, bestaat er brede twijfel over de vraag of zijn kabinet daartoe werkelijk bereid is. Minister Carli wel, maar hij staat in het kabinet vrijwel alleen.

Daarom overheerst het pessimisme onder de Italiaanse ondernemers. “Italië holt in duizelingwekkende vaart achteruit”, waarschuwde Carlo De Benedetti een paar maanden geleden al. En de financier Giancarlo Pesenti zei na de vergadering in Brussel: “De Nederlanders hebben gelijk dat zij een Europa van twee snelheden willen, Italië is bezig zich van Europa te verwijderen en Afrika te naderen.”

Carli zelf onderschreef in Brussel wel de noodzaak van verlaging van de inflatie en vermindering van de staatsschuld als percentage van het bruto nationaal produkt (nu ruim 103 procent). Maar hij toonde zich tegenover Italiaanse journalisten tegelijkertijd sceptisch over de mogelijkheid dat Italië deze doelen haalt.

Om te voorkomen dat zijn land de aansluiting met Duitsland en Frankrijk verliest, moest Carli daarom wel fel te keer gaan tegen het Nederlandse voorstel, ook al betekende dat, in de woorden van La Malfa, dat Carli tegen Carli stond te praten.

Een van zijn hoofdbezwaren was dat zes landen zouden kunnen besluiten wie financieel gezien gezond genoeg is om toe te treden tot de "derde fase' van de Europese Monetaire Unie. “Je kan niet altijd met gesloten gelederen oprukken, maar de besluiten moeten samen worden genomen”, zei hij.

Belangrijker nog was het feit dat een dergelijk besluit zou worden genomen op basis van vaste criteria in plaats van op politieke overwegingen. Wie de gestelde doelen niet bereikt, zou automatisch worden uitgesloten. Rome vreest de naakte waarheid van de cijfers.

De uitspraak van de Duitse onderminister van financiën, Köhler, dat voor een zware bergbeklimming alle leden van de groep goed moeten zijn uitgerust en dat het gevaarlijk is aan de tocht te beginnen met een aantal zwakkeren, is hier breed geciteerd. Maar Italië is liever lid van een grote groep die dan maar wat trager gaat, dan teamleider van een tweede groep die de top op eigen kracht misschien wel nooit haalt.

Hierin komt ook het verschil in prioriteiten met Duitsland naar voren. Köhler zei dat de ontwikkelingen in Oost-Europa financiële stabiliteit in Europa nodig maken. Maar voor Rome staat bovenaan dat het de aansluiting met Duitsland en Frankrijk niet mag verliezen, en al het andere wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.