Column

Invallers

Hij zei het zacht, heel zacht. “Ik heb een mooi baantje.” “Wat dan?”, vroeg ik. “Clubarts bij Ajax.” “Voor goed?” “Nee, voor veertien dagen.”

Toen kwam de uitleg: hij valt in voor een vriend die normaal de baan heeft, maar nu mee is naar een of ander hockeykampioenschap in Berlijn. Hij had daar als speler bij moeten zijn, maar is geblesseerd en zodoende..........

Mijn eigen broer clubarts bij Ajax. Een lichte siddering ging door me heen. Honderdduizend mensen willen al jaren bij die club horen. Artiesten likken zich in, patsers huren een sky-box en gepensioneerden staan het laatste restje van hun leven te kleumen bij de training. Maar dat blijft allemaal spek en bonen. Ik ben als journalist in het spelershome geweest, heb een keer bij de trainer gegeten en ben goed bevriend met een ex-speler, maar dat blijft gefröbel. Je hoort er pas bij als je er echt wat te zoeken hebt. Je werkt er. Of je nou de ballen oppompt, de noppen aandraait, de hoekvlaggen strijkt, de opstelling bepaalt, de koffie zet, de WC's chloort of de kleuters leidt op de gezinstribune: je hoort bij de familie die Sjakie tegen Swart mag zeggen, Tonnie tegen Pronk en Schippie tegen Johnny. Al is het maar veertien dagen. In elk geval kan je later zeggen: "Ik heb er bij gehoord'.

Ajax was de droom, Keizer was de held, Cruijff het absolute voorbeeld en er waren weken dat er in ons gezin geen ander onderwerp over tafel rolde. We kennen de boeken van De Vos, Scheepmaker en uiteraard het laatste standaardwerk van Evert Vermeer uit het hoofd. Vader ontroerde ons met verhalen over Jan de Natris en Wim Volkers. Zelf zweven we nog op Daniëlsson, Van Dijk en Vasco. De Meer is het summum en hoe dichter je tijdens je leven bij het veld hebt gezeten hoe hoger je later in de hemel komt.

Nogmaals: je kan op allerlei manieren het stadion binnendringen: een perskaart, een vriendje, een smoesje of een ordinaire smak geld, maar het wordt pas echt als je er werkt.

Ik heb mijn broer niet meer gesproken, maar ik weet bijna zeker hoe het gegaan is. Hij kent de echte clubarts die een schnabbeltje bij de hockeyers heeft en dacht: als ik geblesseerd raak kan ik zijn baantje overnemen en gaat mijn jongensdroom in vervulling. Bij de hockeyers lig je niet zo gauw uit de basis. Jan Piet Fokker hoopt nog altijd bij elk telefoontje dat het Hans Jorritsma is en mijn broer is nu vervangen door Paul van der Meeren van Telstar. Dus hij heeft zich ziek gemeld om zijn droom uit te laten komen. Zondag tegen Groningen zit de eerste Van 't Hek op de bank bij Ajax. Oké, niet als speler, maar hij zit er wel. En wat niet is kan nog komen. Hij bepaalt twee weken lang wie er wel of niet fit is en het kan best zijn dat hij maandagochtend Leo bij zich roept en een tiental jongens een weekje verplicht rust geeft, en dan moet Leo toch iets.

“Kan je voetballen Tommie?”, vraagt Don Leo nerveus.

“Een beetje”, zegt hij bescheiden.

Het wordt met Zeist geregeld en de kleine Tom staat tegen De Graafschap in de basis en wie zit er als reserve op de bank? Precies. En let op: tien minuten voor tijd val ik in en bij mijn eerste eredivisie-goal knipoog ik eeuwige liefde naar Leo. Op hetzelfde moment sjouwt Paul van der Meeren met een Champions Trophy boven zijn hoofd een ereronde in een Berlijns hockeystadion. Het leven is wel leuk.