Hoe Poes Groentenier (18) en Kater Ali (19) hun laatste rustplaats vonden; Een prachtig zwartgelakt kistje

Ali, de negentienjarige kater van Daantje, is dood. Daan rekende zonder haperen uit dat hij en Ali honderdtwintig jaar in leeftijd verschilden. Hij is dertien en Ali omgerekend in mensenleeftijd, zeven maal negentien jaar. Dus: 7x19=133-13=120. Met dit soort gereken kunnen schildpadden en olifanten de duizend jaar ruim overschrijden en zijn papegaaien onsterfelijk.

Daan besloot dat Ali niet met het vuilnis meemocht of in een of andere oven van de gemeente mocht terechtkomen. Hij moest een waardige begrafenis hebben. Ali was woensdag doodgegaan en vrijdag was er nog geen duidelijke beslissing gevallen over de laatste rustplaats. Een beestje, hoe lief ook, gaat vooral bij lekker warm weer snel tot ontbinding over, dus Ali meurde er vlijtig op los. Daan had op handenarbeid een prachtig kistje voor hem gemaakt. Mooi zwart gelakt, met twee echte hengsels eraan en een deksel dat met vier schroeven hermetisch dicht kon. Alsof het zijn dagelijks werk was en met de schijnbare koelbloedigheid van een geboren lijkbezorger, schroefde hij het kistje dicht.

Ik stelde voor Ali ergens buiten te begraven, bijvoorbeeld in de buurt van Abcou waar we zomers wel eens een wandeling maakten. Maar dat vond Daan veel te stil voor Ali die tenslotte in de stad was opgegroeid. In het Vondelpark? Met al die honden? Stel je voor dat ze dat kistje naar boven haalden. Stedelijk Museum. De tuin van het Stedelijk bij de vijver in de buurt van die hoge roestige platen. Daar was ook een zandbak en daar speelden kinderen, dan was Ali niet zo alleen.

Op zaterdagmorgen legden we Ali achter in de auto. Een bosje bloemen van een gulden leek sentimenteel, maar rondde de zaak toch mooi af. Het was mooi, wat druilerig begrafenisweer. Toen we langs het monument van de vrouwen van Ravensbrück kwamen, keek Daan wat jaloers naar een sjieke krans, die daar zo maar, onbewaakt, bijna in het wild, tegen het gladde staal stond.

Daan bepaalde kordaat de plek waar we moesten graven. Gaan graven, maar waarmee? Schep vergeten. Er zat een desolate jongen in de regen bij de zandbak. Hij had een half leeggedronken fles wijn aan zijn voeten staan, maar leek geen alcoholjunk. Meer iets met een mislukt examen of een meisje achter de rug. Zouden we hem vragen of hij zolang op Ali wilde passen? Dan hoefde die niet helemaal teruggezeuld te worden. Geen denken aan, zei Daan. Ali gaat weer mee.

Ik besloot naar de Albert Cuypmarkt te gaan. Daar hadden ze van alles dus ook een schep. Ondertussen meurde het al aardig naar Ali in de auto. We kwamen vast te zitten in het zaterdagpubliek bij de markt. Een schep. Waar kocht je hier een schep? Linksaf, daar was een ijzerwinkel. Maar de goedkoopste die ze daar hadden kostte ƒ 37.75! Dat vond ik te duur.

Terug naar huis maar, want in de kast van mijn atelier moest ergens onderin onder een geweldige berg troep een kampeerschepje liggen. Daan bleef in de auto en trotseerde Ali en ik haalde de vervloekte kast overhoop. Weldra lag alles vol rommel die al jaren weggegooid had moeten worden, maar geen schepje te bekennen. Op het Waterlooplein vonden we een ten slotte een uiterst handig, uitklapbaar legerschepje in een vetleren foedraal voor ƒ 15.-. Daan vergaf me mijn gierigheid van de ijzerwinkel en demonstreerde enthousiast hoe ze in het leger een dergelijk werktuig ter zelfverdediging in een houweel konden veranderen.

Op het Museumplein, bij de zandbak, was de jongen verdwenen. Zijn wijnfles had hij achtergelaten en zo te zien niet meer aangeroerd; hij was kennelijk aan de beterende hand. Daan aan het graven. Dat viel behoorlijk tegen met al die wortels en stronken in de grond, maar ik mocht beslist niet meehelpen. Het werd een degelijk werkstuk. Mooi diep met het oog op de honden. Lag daar niet een stoeptegel tegen een tuinhuisje? Toen de rulle aarde onder Daans schoenen werd aangestampt (voor Ali's bestwil) mocht die tegel er op.

Terug in de auto, zei Daan dat het een keurige begrafenis was geworden. Wel zielig voor Ali natuurlijk, maar zijn leeftijd maakte veel goed: honderddrieëndertig jaar. En nu hij het er toch over had; hoe lang zou het precies duren voor hij Aaltje niet meer zo héél erg zou missen?