Het Westen komt over de brug

Pompen of verzuipen lijkt het motto van de nieuwe machthebbers in de Sovjet-Unie. De overbodige ballast gaat overboord in de hoop daarmee het schip boven water te houden. Alle, strikt genomen, overbodige verplichtingen worden geschrapt, geen politieke maatregel wordt nagelaten om de rest van de wereld gunstig te stemmen. Of het nu de militaire steun aan Afghanistan en Cuba betreft, of het door Japan aangevochten bezit van de Koerilen - niets is meer heilig. Alleen op die manier kan de garantie verkregen worden dat het Westen massaal de dringend noodzakelijke hulp geeft.

De Russische premier Ivan Silajev, tevens leider van de voorlopige Sovjet-regering, liet er voor de televisie geen enkel misverstand over bestaan dat de voedselvoorziening prioriteit nummer één is. “Ongeveer zeventig procent van onze tijd en onze aandacht wordt alleen aan dit onderwerp besteed”, zei hij. Hij kondigde gisteren aan dat binnen een maand een voorstel voor een hulpprogramma op tafel gelegd zal worden, tegelijk met de plannen voor een economische unie tussen de afzonderlijke Sovjet-republieken.

De vrees bestaat dat de steeds langer wordende rijen voor lege winkels tot grote sociale spanningen zullen leiden. Vooral de voormalige minister van buitenlandse zaken, Edoeard Sjevardnadze, houdt niet op daarvoor te waarschuwen. Op een conferentie over economische problemen zei hij de afgelopen week: “De oogst is niet best dit jaar. Het transport en de openbare nutsvoorzieningen zijn niet goed en de energiesector staat voor ernstige problemen. De mensen zouden spontaan de straat kunnen opgaan”. De angstige gevoelens van Sjevardnadze zijn inmiddels bevestigd door de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Die schat dat de graanoogst in de Sovjet-Unie dit jaar twintig procent lager zal zijn dan vorig jaar, toen een record van 235 miljoen ton werd binnengehaald. Desondanks deden zich ook toen al problemen voor bij de voedselvoorziening, mede door de problemen met het transport. Vertegenwoordigers van het Amerikaanse ministerie van landbouw verwachten een dergelijk resultaat.

Het Westen heeft een deel van de terughoudendheid die het de laatste tijd tentoonspreidde inmiddels afgelegd. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, betuigde gisteren in Moskou zijn instemming met de plannen voor economische samenwerking tussen de verschillende Sovjet-republieken: “Ze zijn onderweg in de richting van een volledige economische revolutie in de Sovjet-Unie en ik denk dat we allemaal begrijpen dat dit geen eenvoudige operatie is”. Baker en Silajev kwamen overeen dat de te verstrekken humanitaire hulp via het Rode Kruis zal worden verspreid. Bovendien maakten de twee afspraken over de verlening van kortlopende kredieten.

Het Britse ministerie van landbouw heeft inmiddels aangekondigd dat acht hoge vertegenwoordigers van de Britse voedingsindustrie naar Moskou gaan om besprekingen te voeren over een onmiddellijke verbetering van de voedseldistributie in het land. De Europese Commissie studeert op een Sovjet-verzoek voor voedselhulp ter waarde van zes miljard dollar, dat de levering zou moeten omvatten van vlees, groente, meel, boter en babyvoeding. Het Europese parlement in Straatsburg heeft zich inmiddels uitgesproken voor een “groot internationaal plan tot ondersteuning van de democratie en de economie in de nieuwe unie”. En waarschijnlijk zal zelfs Japan nu over de brug moeten komen, nu de voorzitter van het Russische parlement, Chasboelatov, in Tokio expliciet om “miljarden, niet miljoenen dollars hulp” van dat land heeft gevraagd en een regeling van de omstreden eilanden in het vooruitzicht heeft gesteld. Premier Kaifu zou positief gereageerd hebben op een voorstel van Sovjet-zijde voor het opzetten van een Japans-Russische commissie om de hulp in goede banen te leiden.

De leiders in de Sovjet-Unie realiseren zich dat ze een weg zijn ingeslagen waarop geen terugkeer mogelijk is, maar waarop de gevaren zeer groot zijn. De burgemeester van Moskou, Gavriil Popov, maakte zich tolk van die sentimenten door er op te wijzen dat de dreiging van een nieuwe staatsgreep nog altijd niet geheel uit te sluiten is. Maar hij voegde daar in één adem aan toe: “Niet de reactionaire krachten vormen echter de grootste bedreiging, maar het onvermogen van ons, hervormers, om werkelijk tot elkaar te komen en onze problemen tot een oplossing te brengen”.