Gokken met suiker en varkens

Op de goederentermijnhandel rommelt het. Tussen de makelaars is grote ruzie ontstaan over de "agressieve' manier waarop particuliere beleggers naar de termijnmarkt worden gelokt.

Met zijn voeten op tafel en een dikke sigaar tussen de tanden, adviseert de 21-jarige broker zonder blikken of blozen een onbekende belegger aan de andere kant van de telefoonlijn dat hij vanmiddag nog in suiker moet stappen. “Die prijs schiet de komende weken omhoog meneer, als u nu koopt, rijdt u over twee maanden in een rode Ferrari!”. Zijn jonge collega's lachen terwijl ze door lijsten met potentiële beleggers heen bladeren. De meeste brokers zaten vorig jaar nog op school maar verdienen tegenwoordig duizenden guldens per week met het verkopen van termijncontracten aan goklustige beleggers.

Tussen Nederlandse makelaars in termijncontracten botert het niet meer. Er is grote onenigheid ontstaan over de manier waarop particuliere beleggers naar de goederentermijnmarkt worden gelokt. De ruzie is zo hoog opgelopen dat het ministerie van financiën twee weken geleden besloot in te grijpen.

De makelaars staan nu onder curatele, ze moeten verantwoording afleggen aan het ministerie over alle handelstransacties die zij sluiten. Het door ruzie uiteen gevallen bestuur van de NVG, de overkoepelende organisatie van de goederentermijnmarkt, maakte gisteren bekend dat het geen heil meer ziet in een langer voortbestaan van de vereniging. De vereniging is er niet in geslaagd de handel zelf te reguleren en oppert opheffing. Het ministerie van financiën, dat zelfregulering door een branchevereniging als NVG ook voor de toekomst prefereert, bezint zich intussen over de mogelijkheden om meer greep op de handel te krijgen.

Op de termijnmarkt wordt net als op elke termijnmarkt in de wereld, niet gehandeld in goederen, maar in papieren contracten: overeenkomsten om op een bepaalde datum een bepaalde hoeveelheid goederen tegen een van te voren vastgestelde prijs te kopen of te verkopen. Een deel van de handel, de "echte' beroepshandel, heeft echter niets met het conflict te maken. Bij de beroepshandel zijn bedrijven betrokken die zich op de goederentermijnmarkt willen garanderen van een regelmatige toestroom van grondstoffen tegen een stabiele prijs. Maar daarnaast hebben steeds meer particuliere beleggers de markt ontdekt als een casino.

De beroepshandel, die plaats heeft op de Koopmansbeurs in Amsterdam, naast de effectenbeurs, is in vergelijking met de Chicago Board of Trade - de oudste, grootste en verreweg invloedrijkste goederentermijnmarkt ter wereld - slechts klein. In Nederland gaan de meeste termijncontracten in slachtvarkens en aardappelen om. De activiteit in deze handel komt bijna geheel voor rekening van de beroepshandel en er zit groei in deze tak. In 1990 werden er bij voorbeeld 113.000 aardappelcontracten omgezet, achttien procent meer dan in het jaar daarvoor. Het gaat hier om miljarden piepers want elk contract omvat 25.000 kilo aardappelen.

Ook de professionele handel in slachtvarkens groeit. In een standaardcontract zitten honderd varkens van gemiddelde kwaliteit en gewicht (circa honderd kilo). Vorig jaar gingen er 44.000 contracten slachtvarkens om. Dat betekent zo'n 4,4 miljoen varkens, een toename van ruim twaalf procent ten opzichte van 1989.

De professionele handel bestaat in Nederland al sinds de zeventiende eeuw. Amsterdam was een van de belangrijkste wereldhandelscentra ter wereld en de goederentermijnhandel werd door kooplieden gebruikt om risico's af te dekken door middel van aan- en verkoop op termijn. Met name in tulpenbollen gingen er destijds veel contracten om.

Naast de professionele handel is de handel op de goederentermijnmarkt in de jaren zeventig ontdekt als een vorm van beleggen. Het speculeren heeft de afgelopen jaren enorm aan aantrekkingskracht gewonnen. De miljoenenomzet die de met elkaar overhoop liggende Nederlandse makelaarskantoren boeken via verkoop van contracten voor de levering van uiteenlopende zaken als ruwe olie, goud, tin en suiker heeft voor het overgrote deel op buitenlandse beurzen plaats. De contracten worden door de Nederlandse makelaars, die de contracten met de klanten afsluiten, geplaatst op de grote buitenlandse beurzen in Chicago, New York (Commex), Londen (Liffe) en Parijs (Matiff).

De omzet die Nederlandse makelaarskantoren op de binnen- en vooral buitenlandse termijnmarkten boeken, bedraagt vele honderden miljoenen. In de hele wereld wordt er in de goederentermijnhandel zes tot zeven keer zoveel omgezet als op de effectenbeurzen.

Pag 12:

Jonge makelaars richten zich geheel op speculatieve belegger

De spelers op de beurs heten makelaars: het gaat om circa 25 bedrijven in Nederland, zelfstandige makelaarskantoren maar ook beleggingsdochters van grotere instellingen. Zij verdienen hun boterham door termijncontracten aan de man te brengen.

In de professionele handel is daaraan een commissie voor de makelaars verbonden. Vooral in de speculatieve handel zijn hoge provisies te verdienen. De manier waarop dit gebeurt, heeft niet alleen gezorgd voor een snelle expansie van de termijnhandel, maar heeft ook geleid tot grote spanningen tussen de makelaars onderling. Spanningen die voortkomen uit concurrentienijd, maar die daarnaast ook van doen hebben met “de ethiek van ons vak”, zoals een van de makelaars zegt.

De "gevestigde orde' van makelaarskantoren, die stamt uit de tijd dat Amerikaanse brokers-huizen als Drexel, Merrill, Bache en Shearson de bemiddeling in contracten in Nederland opzetten, voelt zich bedreigd door de wijze waarop jonge makelaars de markt afstropen. De youngsters worden beticht van wild-west-handel: ze zouden potentiële beleggers agressief per telefoon benaderen en de markt in lokken met verkooppraatjes over hoge winsten. In de ogen van de oudere makelaars zijn de jongeren “ondeskundig en onervaren” en innen ze “exorbitant hoge provisies” die een flink stuk hoger zijn dan de commissie die de gevestigde orde vraagt.

De jonge makelaars hebben echter een gat in de markt gevonden waarmee zij - volkomen legaal zo zeggen ze - veel geld kunnen verdienen. De nieuwkomers in de handel richten zich daarbij puur en alleen op de speculatieve belegger. Ze zouden de potentiële belegger net zo lang bellen tot deze bezwijkt om vervolgens zijn geld op een van de grote beurzen in de wereld te beleggen. In eerste instantie gaat het om enkele duizenden guldens, maar later gaan er tienduizenden guldens via de makelaar naar de markt.

Hoewel de handel wilde trekken vertoont, is hij met de nodige waarborgen omgeven. De belegger moet voordat hij het geld kan beleggen, allerlei formulieren ondertekenen en de betrokken makelaar mag pas met de klant in zee als deze financieel is "gescreend'. “Het is belangrijk dat je weet wie je klant is. Iemand mag bij voorbeeld niet met geleend geld de handel in stappen”, zegt een makelaar.

Wanneer aan alle faciliteiten is voldaan, spreken beide partijen af waarin belegd zal worden. De makelaar adviseert hierbij. Stel, een belegger gokt - al dan niet op voorspraak van de makelaar - op een sterke stijging van de suikerprijs, dan kan hij suiker kopen die pas een half jaar later wordt geleverd. De klant koopt vervolgens één contract suiker van 112.000 lbs (1 lb is circa 0,45 kilo). Als de klant het contract koopt is suiker per lb acht dollarcent waard. Het contract is dus 112.000 maal 8 dollarcent waard (is circa 9.000 dollar).

Omdat de belegger de suiker niet meteen krijgt (het wordt pas over een half jaar geleverd), hoeft hij niet het hele bedrag, maar slechts circa tien procent van de koopprijs als zogenoemde zekerheidsstelling (borg) te betalen, wat in dit voorbeeld 900 dollar is. Als door ontwikkelingen op de markt de suikerprijs vervolgens stijgt en per 1 lb suiker op tien dollarcent terecht komt, kan de belegger besluiten het contract weer te verkopen. Tussen aan- en verkoopprijs van 1 lb suiker zit twee dollarcent. Een heel contract suiker is nu 112.000 maal twee dollarcent meer waard geworden. Als de klant het contract op dat moment weer verkoopt wint hij dus 2.240 dollar. Hij krijgt de borg terug; de makelaar kan zijn provisie innen.

Als de suikerprijs echter daalt, lijdt de belegger verlies. In tegenstelling tot opties op bij voorbeeld aandelen, bestaat er in de goederentermijnhandel een plicht om bij afloop van een contract tot een transactie over te gaan. Een belegger die derhalve in bezit is van een suikercontract wordt - als hij dit contract laat verlopen - gemaand om de vastgestelde hoeveelheid suiker te leveren of af te nemen. Beleggers moeten dus tussentijds van hun contract af en zullen aan de hand van de prijsontwikkeling het moment van verkoop bepalen.

In het geval dat de suikerprijs daalt, kan de klant via een speciaal contract bovendien zijn verlies beperken. Dit zogenoemde limited liability contract is de kern van de ruzie binnen het NVG-bestuur. De regeling geldt als een soort verzekering: de klant verliest nooit meer dan hij heeft ingezet. In bovenstaand voorbeeld zou het verlies van de klant, wat er ook gebeurt, beperkt blijven tot 900 dollar. Voor die zekerheid betaalt hij wel een hoge provisie. Gemiddeld bedraagt die voor dergelijke contracten liefst 380 dollar. Ter vergelijking: de commissie op "normale' termijncontracten bedraagt zo'n 125 dollar.

De NVG wilde dit provisietarief maximeren. De jongere makelaars voelden zich daardoor benadeeld. De laatste jaren heeft de telefonische verkoop van termijncontracten aan particuliere beleggers een onstuimige groei doorgemaakt. Nadat in de jaren zeventig makelaars die vanuit Duitsland opereerden de handel al een ongunstig imago hadden bezorgd, kwamen de afgelopen twee jaar ook steeds meer Nederlandse kantoren in opspraak.

De zogenoemde belmakelaars, veelal jonge twintigers die een snelle cursus over de goederentermijnhandel hebben gevolgd, worden door hun bazen op opmerkelijke wijze gemotiveerd. Een jongeman van 22 jaar die een jaar geleden nog op school zat vertelt: “Ik heb het regelmatig meegemaakt dat als we 's morgens binnenkwamen de baas een briefje van duizend op de deur had geplakt. Wie van ons het eerst voor 50.000 gulden aan contracten bij elkaar had gebeld mocht aan het einde van de dag die duizend gulden mee naar huis nemen”.

De belmakelaars zitten met tien tot twintig man in een boiler-room, een klein kamertje van waaruit zij potentiële beleggers benaderen. Zij hebben de beschikking over lijsten van ondernemers die via de Kamer van Koophandel verkregen zijn, of rechtstreeks gekochte adressenbestanden van mensen met hogere inkomens. De beleggers die uiteindelijk "instappen', zijn over het algemeen “vermogende heren”, zoals een handelaar het uitdrukt.

Het zijn de "grote jongens' die de effectenhandel ontgroeid zijn of deze even te saai vinden. Op de effectenbeurs geldt 50.000 gulden als grens voor de particuliere beleggers. Wie daarboven zit wordt “professioneel” genoemd. Medewerkers van Amsterdamse effectenbeurs en de Optiebeurs zijn niet bang dat zij beleggers kwijtraken aan de goederentermijnhandel. “Het zijn toch meer de goklustigen die daar actief zijn”.

Volgens een makelaar wandelen er juist veel beleggers in tijden dat er niets gebeurt op de twee andere beurzen over naar de termijnhandel. “Ook voor kleine beleggers blijkt de termijnhandel heel aanlokkelijk. De spanning van speculeren wordt door steeds meer mensen ontdekt”, zegt R. van Oostveen, directeur van Kesperry in Amsterdam.

De klachten van beleggers komen echter pas nadat ze zijn overgehaald en hun geld verloren is gegaan. “De belofte van duizenden gulden winst is nooit uitgekomen. Elke week moest ik er toch nog even tienduizend gulden bij doen want dit was echt het moment dat de suikerprijzen omhoog zouden gaan. Maar dat is dus nooit gebeurt”, zegt een gedesillusioneerde belegger die in totaal bijna een ton kwijtraakte aan beleggingen in de goederentermijnhandel.

De jongeren hebben niettemin succes gehad met hun wijze van opereren. Hun kantoren groeiden de afgelopen jaren veel sneller dan die van de anderen. Hun marktaandeel nam flink toe. Grote belmakelaars zijn op dit moment Kesperry Nederland en Inter Invest in Amsterdam, Pelham Trading Company in Haarlem en Futures Consult in De Bilt.

De ruzie tussen de makelaars bleef tot deze zomer aanvankelijk binnenskamers: dat wil zeggen binnen de NVG. In het bestuur van deze vereniging zijn de exponenten van de belangrijkste makelaarskantoren vertegenwoordigd en het conflict is daar inmiddels tot ontlading gekomen. Twee bestuursleden hebben hun posities ter beschikking gesteld maar blijven actief zolang zich geen opvolgers hebben aangediend. De formele reden voor hun vertrek was dat “er geen zakelijk overleg meer mogelijk is”.

Achter de schermen blijkt veeleer sprake van regelrechte broodnijd. Een miljoenenclaim van de advocaat van Kesperry - een van de jonge makelaarskantoren - schokte de twee vertroken bestuursleden. Beiden werden aansprakelijk gesteld voor mogelijke inkomstenderving van Kesperry door uitlatingen in de pers en door hun besluit de provisies te maximeren. De heren werden voor veertien miljoen gulden aangeklaagd. Van een werkbare situatie was toen allang geen sprake meer.

Kort daarna, medio augustus, viel ook het toezicht op de handel weg. De NVG, die statutair tot doelstelling heeft “het zelf reguleren van de handel op de goederentermijnhandel”, had een eigen raad van toezicht. Maar over deze essentiële taak liepen de meningen al tijdenlang heftig uiteen. Ingewijden zeggen dat de raad, waarin ervaren en veelal gepensioneerde juristen en zakenlui zitting hadden, te weinig feeling met de markt had.

De part-time juristen, die op basis van reiskostenvergoeding bezoeken brachten aan de verschillende NVG-leden, maakten van het kritisch doorlichten van de makelaarskantoren volgens ingewijden “eerder een gezellig uitstapje dan een goed doorwrochte analyse”. Omdat het de NVG gewoonweg aan financiële middelen ontbrak (jaarlijks had de vereniging een ton te besteden, daarvan ging tachtig procent naar het secretariaat) was er volgens het NVG-bestuur domweg geen andere mogelijkheid dan deze. “Het was teveel oude jongens krentebrood bij de bezoeken”, zegt een oud-bestuurder van de NVG. Ook volgens het ministerie, dat al een tijd lang hamerde op een professionelere benadering van het toezicht, was de know-how er wel maar ontbraken de middelen. “Daardoor controleerde in feite een stel hobbyisten de branche”, aldus een makelaar.

Twee weken geleden besloot het ministerie in te grijpen. Alle bestaande vergunningen zullen over twee maanden worden ingetrokken. De NVG-makelaars hebben tot dat moment de tijd een nieuwe vergunning aan te vragen. Het ministerie bestudeert op dit moment de mogelijkheden om meer greep op de handel te krijgen. Begin volgend jaar treedt de Wet Toezicht Effectenverkeer in werking. “We bezinnen ons op dit moment over de verkooppraktijken die sommige kantoren bezigen. Maar we zijn er nog niet uit hoe de nieuwe regels er uit zullen zien”, aldus een woordvoerder van Financiën.

Het ministerie hecht er grote waarde aan dat de goederentermijnhandel "zelfregulerend' blijft. De Stichting Toezicht Effectenverkeer neemt vanaf de in werking treding van de nieuwe wet het toezicht op de handel over. Tot op heden heeft nog geen van de makelaars een nieuwe vergunning gekregen. Ongeveer een vijfde deel van de NVG-leden zou niet aan de hogere vermogenseisen van het ministerie voldoen. Het eigen vermogen moet voor Financiën minimaal 250.000 gulden bedragen terwijl dat bij de NVG 40.000 gulden was. Of en zo ja hoe Financiën de "agressieve verkoop' gaat bestrijden kon de woordvoerder nog niet vertellen.