Financieel beheer van Rijksoverheid drastisch verbeterd

DEN HAAG, 13 sept. Het financieel beheer bij de Rijksoverheid is in 1990 drastisch verbeterd. In 1989 had de Algemene Rekenkamer nog voor 22 procent van de Rijksuitgaven niet de zekerheid dat die rechtmatig waren gedaan; in 1990 gold dit nog "slechts' voor 15 procent. Daarbij gaat het vooral om sociale uitkeringen. Dit schrijft de Rekenkamer vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

De per 1 november vertrekkende president van de Rekenkamer F.G. Kordes sprak vanmorgen over een “grote vooruitgang die des te opvallender is omdat onze jaarlijkse rapporten meestal kritischer zijn”. Hij stak de ambtenaren een pluim op de hoed voor hun "harde werk'.

De verbetering van het financieel beheer begon in 1986 met de "operatie comptabel bestel'. De kosten daarvan waren hoog: tot en met 1990 minstens 200 miljoen gulden. Kordes waarschuwde daarom voor een "verslapping'. Minister d'Ancona van WVC stelde bijvoorbeeld in een reactie op de bevindingen van de Rekenkamer dat de Grote Efficiency Operatie haar wellicht zou dwingen te bezuinigen op het financiële beheer.

Alle ministeries moesten eind vorig jaar beschikken over een deugdelijke administratieve organisatie, wat overigens niet één departement lukte. De Rekenkamer verwacht dat de meeste ministeries eind dit jaar wèl orde op zaken hebben gesteld.

Een uitzondering vormt de begroting van Buitenlandse Zaken, waaronder ook de ontwikkelingssamenwerking valt. De Rekenkamer verschilt met minister Pronk van mening over de controle over "handgelden, commissies en persoonsgebonden beloningen' (smeergelden). Deze uitgaven worden volgens de minister gedaan als gevolg van lokale gebruiken en kunnen daarom niet worden vermeden. Volgens de Rekenkamer zijn ze echter onrechtmatig. Alles bij elkaar noemt de Rekenkamer ruim 13 miljoen gulden van deze begroting "onrechtmatig'.

In 1989 bestond nog een aanzienlijke onzekerheid over de rechtmatigheid van de uitgaven van de vier medefinancieringsorganisaties (Novib, Hivos, etc.). Daarover bestaat nu volgens de Rekenkamer “een redelijke zekerheid”. Wat betreft de bilaterale hulp is men nog niet zover.

De totale uitgaven van het Rijk in 1990 bedroegen 183,7 miljard gulden. Van 27,5 miljard heeft de Rekenkamer geen zekerheid dat ze rechtmatig zijn gedaan. Het grootste deel hiervan betreft uitgaven voor de sociale zekerheid: bijna 20 miljard gulden. De Rekenkamer acht het financieel beheer op Sociale Zaken en Werkgelegenheid “zorgwekkend, hoewel de accountantscontrole belangrijk verbeterd is”.

Bij Binnenlandse Zaken ontbreken accountantsverklaringen waaruit blijkt dat de bijdragen aan de kosten van de gemeentepolitie door de gemeensten zijn besteed aan het beoogde doel. Daardoor ontbreekt zekerheid over de rechtmatige besteding van 2,2 miljard gulden.

“Zorgwekkend” noemt de Rekenkamer de situatie rond de 0,6 miljard gulden die de Rijkswaterstaat uitgeeft op basis van contracten met aannemers. Minister May-Weggen meent dat de rechtmatigheid van 135 miljoen gulden onzeker is.