Een bochel gewenst; Autobiografisch fragment van Wolfgang Koeppen

Wolfgang Koeppen: Jeugd. Vertaling: Elly Schippers. Uitgeverij: Querido, 107 blz. Prijs ƒ 27.50.

Wolfgang Koeppen, die afgelopen voorjaar vijfentachtig jaar werd, behoort met Elias Canetti en Ernst Jünger tot de hoogbejaarden binnen de Duitse literatuur. In tegenstelling tot zijn beide generatiegenoten is Koeppen in ons land echter tamelijk onbekend gebleven. Dat valt te betreuren, want hij moet tot de allergrootste schrijvers van de naoorlogse Duitse literatuur gerekend worden.

Wolfgang Koeppens faam berust vooral op drie romans die hij in de jaren vijftig kort na elkaar publiceerde: Tauben im Gras, Das Treibhaus en Der Tod in Rom. In deze "trilogie over Duitsland', zoals de romans vaak worden genoemd (niet geheel terecht overigens want de werken staan eigenlijk los van elkaar), hield Koeppen zijn landgenoten een weinig vleiend spiegelbeeld voor. Een corrupte politiek, een opnieuw oplevend fascisme en een mateloze jacht naar welvaart maakten van de jonge Bondsrepubliek een naargeestige staat met onmiskenbaar restauratieve trekken. De Duitse literatuurkritiek, nogal conservatief in die tijd, reageerde afwijzend tot vijandig op deze romans, te meer omdat Koeppen zich met zijn vertelwijze een regelrecht prozavernieuwer betoonde. Pas jaren later zou Koeppen door diezelfde kritiek worden gerehabiliteerd, en door velen op een lijn worden gesteld met Max Frisch, Günter Grass en Heinrich Böll.

Wolfgang Koeppen is vaak een politiek schrijver genoemd. Dat is maar ten dele juist, want hij mag dan vaak over "politieke' onderwerpen schrijven, zijn eigenlijke thema's zijn toch wat verhevener. Koeppen schrijft over gevoelige en vereenzaamde mensen, over teleurgestelde idealisten die vaak kunstenaars blijken te zijn; zoals de schrijver Philipp uit Tauben im Gras, de componist Pfaffrath uit Der Tod in Rom of de politicus-poëet Keetenheuve uit Das Treibhaus. Koeppen schrijft ook over angst, over creatieve onmacht en over het ontbreken van een zingeving aan het leven. Zijn pessimistische maar nooit echt hopeloze werk vertoont zekere overeenkomsten met dat van Franse existentialisten, al staat Koeppens hyperesthetische schrijfwijze haaks op het rechttoe-rechtaan proza van Sartre en Camus.

Zinnelijk

Koeppens meesterwerk is ongetwijfeld het in 1951 verschenen Tauben im Gras. In deze adembenemend knappe roman beschrijft hij een dag uit het leven van zo'n dertig qua milieu en herkomst sterk verschillende personages, die allemaal in het door de Amerikanen bezette München van kort na de Tweede Wereldoorlog leven. Het zijn zonder uitzondering rusteloze mensen, koortsachtig op zoek naar enige bestendigheid in hun armzalige bestaan. Ze lijken voortgedreven door duistere krachten en een nimmer aflatend driftleven - een ander telkens terugkerend thema bij deze zinnelijke schrijver.

Wolfgang Koeppen, die ook reisboeken en essaybundels schreef, heeft de laatste vijftien jaar amper nog iets gepubliceerd. In 1976 verscheen van hem, als laatste verhalend proza, het autobiografische fragment Jugend, dat onlangs in vertaling is uitgebracht. In dit werk blikt de schrijver terug op zijn kindertijd omstreeks de Eerste Wereldoorlog. De handeling is gesitueerd in het in Voor-Pommeren gelegen stadje Greifswald, waar de schrijver in 1906 werd geboren. Overigens beoogt Koeppen met deze herinneringen geenszins waarheidsgetrouw te zijn: feiten en fictie lopen veeleer door elkaar. In dit opzicht is het Goethe-motto dat aan het boek voorafgaat veelzeggend: “Het geschrevene handhaaft zijn rechten, evenals het gebeurde.”

De schrijver werd als buitenechtelijk kind geboren. Wat dit betekende in het begin van de eeuw op het Duitse platteland, is eigenlijk het centrale thema van deze herinneringen. De verteller en zijn moeder zijn "gebrandmerkt op het altaar van de boosaardige godin Zede', zoals Koeppen in zijn overal poëtische taal meedeelt. De moeder, afkomstig uit de hogere kringen, is sociaal gedeklasseerd en werkt als souffleuse. Haar zoon ervaart ze als "een blok aan het been'. De verteller, toch al weinig stabiel, ontwikkelt als puber sterke schuldgevoelens en raakt in een isolement. Op school en kadetteninstituut mislukt hij, met gelegenheidsbaantjes probeert hij aan geld te komen. Uiteindelijk laat hij zich na vele omzwervingen, waarbij hij onder meer bij een Berlijns toneelgezelschap belandt, aanmonsteren op een boot naar Finland.

Buitenstaander

Wat ik hier als inhoud van het boekje presenteer, is een versimpeling. Koeppen schrijft namelijk geenszins een samenhangend verhaal met een duidelijk handelingsverloop. Jeugd bestaat uit korte, min of meer losstaande fragmenten, die sterk associatief en beeldend zijn verteld. Sommige fragmenten zijn duister tot zelfs hermetisch - Koeppens romans zijn bepaald toegankelijker - maar de lezer die zich enige moeite getroost, wordt voor zijn inspanning toch rijkelijk beloond. Allereerst door de prachtige lyrische taal, die voor de verteller een bezwerende functie lijkt te hebben, maar zeker ook door het fraaie tijdsbeeld dat de schrijver verstrekt.

Twee motieven, die nauw met elkaar samenhangen, zijn allesoverheersend in Jeugd: het "outsiderschap' van de verteller en diens vlucht in de fantasie. De verteller is als gestigmatiseerd kind een volslagen buitenstaander. Hij doet trouwens ook weinig moeite om erbij te horen, integendeel: “Ik liep met opzet krom. Ik wenste een bochel. Ik wilde graag uitgestoten zijn.” Graag identificeert hij zich met de andere buitenstaanders in het provinciestadje. Een daarvan is de plaatselijke kantonrechter, een man die bekend staat als travestiet en homoseksueel. Hij wordt overal "tante Martha' genoemd. Over hem luidt het: “Ik herkende in tante Martha al vroeg de buitenstaander van de maatschappij. Dat beviel me goed en schonk me vertrouwen. Omdat iedereen tante Martha hoonde, spotte het kind niet.”

Troost vindt de verteller in het rijk van de fantasie. Hij droomt van lange reizen en verre landen en al vroeg ontdekt hij de magische kracht van de literatuur. “De bibliotheken trokken me aan. Ik overviel ze, begerig en belust. (-) Ik vergat mezelf. Ik zat als dronken op drukke pleinen. Het alfabet voerde me weg.”

Jeugd is door zijn lyrische stijl, zijn soms ultralange zinnen en zijn rijke idioom vol archaïsmen en neologismen een moeilijk te vertalen werk. Elly Schippers is er desondanks in geslaagd om van Koeppens gebeeldhouwde Duits een alleszins leesbaar Nederlands te maken. Grote risico's heeft de vertaalster gemeden, soms had het misschien iets "mooier' gekund, maar echte fouten heb ik nauwelijks kunnen ontdekken - en dat is zeker een compliment waard.

Wat zou het fraai zijn als nu ook eens Koeppens romans vertaald konden worden, en dan natuurlijk allereerst zijn meesterwerk Tauben im Gras. Want deze roman - het zij hier nog een keer herhaald - behoort tot de allergrootste prozawerken uit de naoorlogse Duitse literatuur.