Deel drie van de Shaw-biografie; De mens is net stopverf

Michael Holroyd: Bernard Shaw, Vol. III, The Lure of Fantasy, 1918-1950. Uitg. Chatto & Windus, 544 blz. Prijs ƒ 82,10

In de jaren na de dood van zijn vrouw Charlotte in 1943 had Bernard Shaw te stellen met drie mannen die hun diensten opdrongen. John Wardrop was een jonge journalist die over hem wilde schrijven, Stephen Winsten kwam met zijn gezin in het dorp wonen en kende zichzelf de rol toe van Shaws Boswell die al zijn uitspraken zou noteren, en Dr. Fritz Loewenstein was niet te stuiten in zijn ambitie om een Shaw Society op te richten met afdelingen in vele landen. Shaw die bijna negentig was probeerde hen af te houden maar niet steeds opnieuw en op sommige dagen kregen zij medewerking van hem. Hardere weerstand ondervonden zij van de vrouwen die Shaws zaken beheerden: Blanche Patch, zijn secretaresse sinds 1920, Mrs Laden de huishoudster, en Nancy Astor de onmisbare bedrijvige vriendin.

De drie publicerende mannen, de drie beschermende vrouwen en de brommerige maar niet uitgedoofde beroemde toneelschrijver voeren een komedie op van lastige relaties zoals er in Holroyds biografie weinig voorkomen. Voordien hebben wij Shaw steeds triumphans gezien; ook als zijn ideeën bestreden werden en een stuk van hem geen bijval kreeg liet hij zich nooit uit het veld slaan. Een zeldzame uitzondering was de weigering van zijn toenaderingspoging in 1913 door Mrs Patrick Campbell, bijgenaamd Stella, die liever met een gewone man trouwde; maar zelfs daar was het onzeker of hij in zijn hart geraakt werd, en in ieder geval heeft hij in zoverre gelijk gekregen dat dat huwelijk van Stella toch ook weer ontbonden is.

In Shaws levensgeschiedenis ontbreken de onberekenbare afwisselingen van wanhoop en goede moed waardoor vreemden ons vertrouwd worden. Hij was altijd aan de winnende hand; hij had er de intelligentie, de moed, de koelheid en de zelfoverschatting voor. Niet alleen is dat benijdenswaardig, het kan ook verkwikkend werken op de lezer van zijn geschriften en zijn biografie. Zijn wijzelf niet te lichtgeraakt, en te gauw teleurgesteld; laten wij ons niet te makkelijk onzeker maken door de eerste de beste betweter? Misschien zouden wij er verstandig aan doen ons te bekwamen in het nietsontziend doorpraten. Wij zouden veel onzin uitslaan, maar dat deed Shaw ook. Het gaat er niet om onweerlegbaar te zijn, maar snel onze opinies te kiezen en er een geestige vorm aan te geven waar onze gespreksgenoten geen raad mee weten.

Makkelijk is het niet. Shaw had er een uitzonderlijk talent voor, en werd gesterkt door het respect dat hij genoot als schrijver. Overal waar hij heen reisde, India en China, Japan en Amerika, werd hij in de jaren dertig begroet door omhoogkijkende menigten, en dan gaf hij in onnavolgbare Ierse stijl te kennen wat hij tegen hun land had. Het is hier gezellig maar de basis van de welvaart is slavernij, legde hij uit aan de Zuidafrikanen die toen het apartheidsbeginsel nog niet geformuleerd hadden; net als de Engelsen kunnen jullie alleen redeneren zonder iets aan te pakken, zei hij tegen de Amerikanen in New York. Soms had hij dus iets verstandigs te beweren; vaak hadden zijn uitspraken geen betekenis, alleen een grappige prikkelende werking.

Al prikkelend meende hij de geesten te verhelderen zodat zij tenslotte zouden begrijpen dat het Russische communisme de juiste weg naar de toekomst aangaf. Tot die conclusie was hij gekomen na een bezoek van tien dagen aan de Sovjet-Unie in 1931, toen hij ook een gesprek met Stalin had en een prettige indruk van hem opdeed. De mens is net stopverf, schreef hij na zijn terugkeer: de aard ervan is niet te veranderen maar de vorm kan aangepast worden, en dat heeft de Sovjetregering gedaan zodat een heel ander soort wezen tot stand is gekomen. Als aanbeveling van een denker die het Darwinisme afwees omdat dat in de woorden van Samuel Butler banished mind from the universe, dus geen ruimte liet voor de slimheid van de mens, was dit te gek om los te lopen; maar Shaw gunde zijn toehoorders geen tijd om zijn inconsequenties op te merken.

Verwonderen

Als intellectueel leidsman van het publiek was Shaw niet te vertrouwen, en hij trok ieders aandacht in die gedaante en liet zich verleiden tot veel uitspraken die vijftig jaar later alleen nog verwonderen, zonder prikkel. Beter is het zijn toneelstukken vergaan. Er was een tijd toen Saint Joan van 1924 als zijn laatste werk van betekenis gold; dat is niet meer zo. The Apple Cart, Too True to be Good, On the Rocks, In Good King Charles's Golden Days zijn vier stukken van zijn ouderdom die nog steeds lezers en beschouwers opwekken om de wereld anders te zien dan wij gewoonlijk doen. Slecht gerichte en onderling tegenstrijdige ideeën die Shaw voor eigen rekening verkondigde zijn achteraf geen aandacht waard. Dezelfde combinaties van uitspraken in zijn toneeldialogen karakteriseren twee personen, en dan vinden ze hun bestemming.

Het toneelwerk van Shaw is onverwoestbaar, en wat wij ook van hem denken als denker, zijn laatste biografie is nog niet geschreven. Wel zal de driedelige van Holroyd lang de langste blijven, en hij is met het nu verschenen derde deel nog niet af. De voetnoten komen later in een apart deel, een stuk of tienduizend. Ik wilde de gewone lezer niet afleiden van het verhaal van Shaws leven, zegt de auteur. Daarom zal nu de minder gewone lezer die de herkomst van gegevens en citaten wil weten de biografie opnieuw moeten doornemen wanneer dat extra deel uitkomt; en erover mopperen. Maar, kan Holroyd antwoorden, de lezers van nu zijn lang niet het hele publiek dat ik verwacht, in de vele tientallen jaren voordat mijn werk achterhaald wordt.

Dat is ook een argument. Inderdaad zal Holroyds boek voorlopig het standaardwerk zijn, en lezers die met Shaw in hun herinnering willen leven zullen het zonder tegenzin af en toe weer eens inkijken. Het is een evenwichtige en heldere biografie; wie midden in een pagina het gevreesde criterium aanlegt: “Ben ik mijn tijd aan het verdoen?” zal zichzelf meestal kunnen geruststellen: “Nee, deze tijd is behoorlijk besteed.” De enige pagina's om over te slaan zijn die waar Holroyd de inhoud van de toneelstukken navertelt, soms in duizenden woorden waar alleen mee bereikt wordt dat iemand die zo'n stuk al kent een paar vergeten details terugvindt.

Samenvattingen van de stukken zouden pas het lezen waard zijn als de inhoud in verband gebracht werd met Shaws eigen ondervinding. Sommige biografiekundigen vinden dat een gevaarlijke stap op de weg naar het misverstand dat alles wat in een roman of toneelstuk voorkomt door de schrijver zelf beleefd moet zijn. Zij maken zich onnodige zorgen. Het kan oordeelkundig gedaan worden, zoals door Leon Edel over Henry James en op kleinere schaal door Arnold Silver over Shaw: om te bepalen wat een schrijver uit zijn ondervinding geweten kan hebben van de verzonnen relaties en emoties die hij beschrijft.

Slapeloos

Holroyd doet het niet, en sommigen zullen hem erom prijzen. Toegegeven moet worden dat hij toch al genoeg mee te delen heeft maar zijn werk zou nog meer betekenen als hij ons in zijn drie delen nader tot die extroverte Ier had gebracht. Zijn Shaw lijkt sterk op Shaw zoals hij zichzelf uitbeeldde voor zijn publiek. Er is soms een voorbijgaande intimiteit te beleven met een figuur uit een autobiografie wanneer wij hem in onze verbeelding oproepen zoals hij op een vroege najaarsmorgen slapeloos uit zijn achterdeur zou zijn gekomen en met wijd open ogen zijn tuin ingestaard zou hebben. Als daar Gibbon staat of Coleridge, of Virginia Woolf of T.S. Eliot, zou ik de adem inhouden om mij iets van de chaos van hun ontwakende gedachten te kunnen voorstellen. Bij Shaw zou ik denken dat al zijn gedachten al in het gelid stonden voor de dag, innerlijk glinsterend in het eerste zonlicht.

Hij was zo'n openbare man dat hij nooit een geschikt onderwerp kan zijn voor een onderzoekende, ontdekkende biografie - tenzij daarmee toch niet alles gezegd is, en dat moet dan uit verder werk over hem blijken. Tot nog toe heeft een lezer het beste zicht op hem als hij zich een enkele keer laat kennen in situaties die te machtig voor hem waren. Toen H.G. Wells' vrouw Jane in 1927 stervende was aan kanker schreef Shaw hem een onmogelijke brief waarin hij een wetenschappelijke opvatting van de lijdensweg aanbeval, en na afloop van de crematie probeerde hij met averechts gevolg de stemming op te fleuren door grappen te maken ook tegen Wells zelf. De relatie van Shaw met dood en verdriet is altijd een verre gebleven. Hij kon er niet dichter bij komen omdat zijn woordkunst er geen vat op had, net zo min als op de seksuele ondervinding. Wells heeft dat wrekend onder woorden gebracht in een necrologie van Shaw, in 1950 gepubliceerd toen hij zelf al vier jaar dood was, (maar de Daily Express had hem er tijdig om gevraagd): “Gewoonlijk leidt langdurige seksuele onthouding niet tot ware ascetische zuiverheid . . . Er komt een heimelijk seksueel leven op dat losstaat van de algemene omgang.”

Het waren beschuldigingen waar Shaw niet makkelijk antwoord op zou hebben geweten; maar zijn eigen lichaam is hem tot zijn 94-ste gewoonlijk blijven gehoorzamen. Hij werd op het laatst knorrig en eenzelvig, maar de openbaarheid wilde hem niet met rust laten, zodat hij dan ook meer lastiggevallen werd dan de meeste negentigjarigen. In september 1950 struikelde hij onder het snoeien in zijn tuin en brak een dijbeen. Begin oktober werd hij uit het hospitaal teruggebracht naar huis; daar stierf hij een maand later, opgelucht dat het afliep.

Michael Holroyd geeft blijk van gevoel voor de overjarige oude heer, en het boek eindigt op een stemmige afgemeten toon. Van het stofomslag glimlacht hij ons toe omdat zijn werk nu in hoofdzaak gedaan is; maar als zijn drie delen één lezing geweest waren en de voorzitter zei: “Ik weet niet of iemand nog vragen heeft . . .”

Jawel, dan zouden er nog vragen zijn.