De vloer vol hulpeloos dons; De code van Gerrit Kouwenaar

Menigeen gelooft dat de poëzie van Gerrit Kouwenaar niet te begrijpen is zonder dat je een of andere code kent. Onzin. Lees zijn laatste bundel. “Hij schrijft bijna altijd helder, hij is bijna altijd geestig en zijn uitgangspunt is bijna altijd aards en realistisch.”

Gerrit Kouwenaar: Een geur van verbrande veren. Uitg. Querido. 48 blz. Prijs ƒ 29,90.

Een geur van verbrande veren is de mooiste bundel die Gerrit Kouwenaar tot nu toe schreef. De vorige en de voor-vorige waren ook al erg mooi, maar deze is nog mooier, en iets toegankelijker bovendien. Nu is toegankelijkheid in het geval van Kouwenaar een gevaarlijke term, al was het alleen maar omdat hij onze meest hermetische dichter heet te zijn. En hermetisch is, welke betekenis je ook aan dat woord geeft (mystiek, magisch; volkomen dicht; gewild duister), nu net het tegenovergestelde van toegankelijk.

Kouwenaar geldt als moeilijk, als een dichter wiens code gekend moet worden voordat je tot zijn werk kan doordringen. En wie de code niet kent, zal hem eerst maar eens moeten zien te kraken. En wie hoort dat er eerst gekraakt en gedecodeerd moet worden voordat tot lezen en eventueel genieten kan worden overgegaan, die zal het waarschijnlijk wel laten.

Tweeëneenhalf jaar geleden, toen bekend werd dat de Prijs der Nederlandse Letteren aan Gerrit Kouwenaar zou worden uitgereikt, verscheen er in een landelijk dagblad een ontroerende ingezonden brief van een ijverige Kouwenaarlezer uit Rijswijk. Hij had zijn best gedaan, en hij was ook wel enkele prachtige gedichten tegengekomen, maar voor het grootste deel bleef het toch duister en raadselachtig. Hij had die poëzie rationeel benaderd, en vervolgens had hij geprobeerd het op zijn gevoel te doen, maar hij had helaas niets gevoeld en niets ondergaan. Toen was hij nog bij enkele leraren Nederlands te rade gegaan, maar die hadden er ook geen antwoord op. Die doken zelf altijd onder de tafel als leerlingen om verheldering vroegen. Dan maakten ze zich er snel van af met een toverformule als ”Die poëzie moet je niet zozeer begrijpen als wel ondergaan' (wat nog waar is ook) of ”Het gaat hier om talige poëzie' (klopt altijd) of ”Voor Kouwenaar is het gedicht een ding als een lucifersdoosje' (wie zal zeggen dat het niet zo is). Het was een droevig relaas, dat al even droevig eindigde: ”In menige beschouwing van critici wordt gewezen op de code die noodzakelijk is voor het goed verstaan van Kouwenaars poëzie. Die code is, naar mijn weten, nog nooit onthuld.'

Misschien was het lezen beter verlopen als hij de gedachte aan een geheime code uit zijn hoofd had gezet. Want er valt wel veel te theoretiseren over de ”zuivere poëtica' van Kouwenaar, en er is wel veel te doen geweest over het maken en wegmaken van de dichter, met als grootste struikelblok de gedachte dat het gedicht niet meer naar de werkelijkheid zou verwijzen, maar ”naar zichzelf' - maar veel van de gedichten van Kouwenaar kunnen heel goed zonder zulke bijgedachten genoten worden. Want hij schrijft bijna altijd helder, hij is bijna altijd geestig (type droogkomisch), hij maakt de mooiste zinnen en hij gebruikt de mooiste woorden, en zijn uitgangspunt is bijna altijd aards en realistisch. Neem nu het eerste gedicht uit zijn laatste bundel. Dat heet ”niet ver van de weg', en gaat over iemand die zich niet ver van de weg begeeft om daar tot rust of tot zichzelf te komen. Het bevat maar liefst veertien imperatieven, dus hier, aan het begin van de bundel, spoort iemand zichzelf (of misschien ons wel) tot iets aan:

Ontdek het moment, het is leeg, het ligt niet ver van de weg, de heg er omheen staat voor niets, dus weiger zijn rijm, breek bot weg de volgzame reis af, kraak leegstand, bezet leg steen in het uitzicht, maak kunstlicht, verteer hoe men vroeger zich uitvrat, besta het bederf onteigen het eten, bezit het vergeten, her inner geen uitweg, wees binnen, weeg niets dan het lood dat men nabootst, terwijl men zijn vleugels openvouwt dichtvouwt terwijl men -

Hier vallen nog een paar experimentele rudimenten te bespeuren, maar er is geen voorkennis nodig om te zien wat er aan de hand is. Aan het ontbreken van de afkortingsstreepjes achter bot (in bot-weg) en her (in her-inner) valt de voormalige experimenteel te herkennen: zonder streepjes kan er nog een extra betekenisje meegepikt worden en komen verwante woorden als weg en reis, verleden en her, inner en uit mooi naast elkaar te staan. Ook een constructie als ”de volgzame reis' (een eigenschap verspringt van het subject naar het object, niet de reiziger is volgzaam maar de reis) is kenmerkend voor de de talige dichter. Van zulke, noem het maar taalkundige verspringingen, wemelt het bij Kouwenaar. Je moet er van houden, maar je hoeft er geen code voor te kennen.

”Niet ver van de weg' is een gedicht dat zich, zoals alle gedichten van Kouwenaar, langzaam vult met betekenis. Er zit bijvoorbeeld een wat sullige, weg-van-de-snelweg-achtige kant aan: hier roept iemand op tot het verlaten van de drukte. Of: hier roept iemand op tot een aandachtiger, meer op het innerlijk gerichte manier van leven, met hilarische leuzen als ”wees binnen' en ”bezit het vergeten'. Of: hier richt iemand zich in, misschien wel de dichter zelf die teruggekeerd is in zijn zomerhuis in Zuid-Frankrijk. Of: hier installeert de dichter zich, schurkend met zijn vleugels, in afwachting van lege momenten en lege pagina's die gevuld zullen gaan worden. Of: hier bereidt iemand zich voor op de dood, als een kat die een stille plek zoekt om te sterven, de volgzame levensreis afgebroken, een grafsteen in het vooruitzicht en niets meer wegend ”dan het lood dat men nabootst', het loodje dat men al heeft gelegd.

Zo'n gedicht is mooi, niet alleen om de slinkse taalkundigheden en om al die verschillende betekenissen die in elkaar grijpen en die het gedicht onder je ogen doen uitdijen, maar vooral om iets onbenoembaars dat het, als het ware los van alle betekenissen, uitdrukt: dit is iets dat uitgebikt, bedwongen en veroverd moest worden. ”Een gedicht als een bom', heet dat bij Komrij. En: ”Alles zit fit in zijn schil' in een vroeger gedicht van Kouwenaar zelf.

Er is veel in deze bundel dat bedwongen moest worden in de strakke vorm van een grimmig, onwrikbaar gedicht. Zeker, er zijn wel enkele vrolijke feestgedichten: ”Laat ons nog één gedicht roken,(-) nog één maal de erwtensoeppan tot de bodem legen'. En er is een mooie ballade over een botergeile asperge in het gezelschap van ”de muskaatnoot en het henne-eitje'. En er is een lang, wonderschoon gedicht waarin een gelukkige jeugdherinnering wordt opgehaald, als kind in de trein wachtend voor ”station hembrug'. Maar overigens is Een geur van verbrande veren vooral een sombere, herfstige bundel en overheerst de elegische toon. ”Trager de wespen, schaarser de dazen- groenvliegen grijzer (-)- dit zijn de laatste dagen, men schrijft de laatste stilstand van de zomer,- de laatste vlammen van het jaar, van de jaren' heet het in de tweede, misschien wel de mooiste afdeling. Gedachten over ouderdom, dood en vergetelheid hebben de overhand, en ze dringen zich in het eenvoudige decor van huis, tuin en keuken steeds nadrukkelijker op:

wat beklijft van de doorreis? waar versuikert de honing? wat bezonk in de kolven? niemand waar men zich nalaat, zich aflegt in latere woorden

En het is geen goed voorteken als men thuis komt, in het voorjaar, en daar in het afgesloten zomerhuis het lijk van een uil vindt. De macabere vondst wordt nuchter en afstandelijk beschreven, in een bijna klassiek gedicht:

EEN GEUR VAN VERBRANDE VEREN

Men komt thuis, het is maart, men ontsluit het verwinterde huis, afzijn gebrek hebben webben gestrikt, meeëters verteerd, de uil door de schoorsteen de dood in gedreven de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk wit bescheten, de glazen aan gruizels op het eeuwige bed een proper karkas met machtige vleugels wat heeft men gedaan vandaag? takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd vuur gestookt van afval -

Het is niet moeilijk om te raden welk afval in de laatste regel verbrand werd. Hier beseft een dichter dat hij met het verbranden van de resten van de uil een voorschot nam op zijn eigen einde. Het enige wat blijft van een gevleugeld leven is een geur, een geur van verbrande veren.