De vijfde architectuurbiennale van Venetie; Koning Architect

Alle architectuur- tekeningen, hoe mooi ook, lijken op elkaar. Onder architecten heerst dan ook een ware maquettewoede. Ook op de Vijfde Archi- tec tuur Biënnale in Venetië is het aantal maquettes niet te tellen. Sommige zijn priegelig, andere zijn uit elkaar gevallen of vroeg oud. Maar bijna altijd geven ze het ontwerp betrouwbaar weer. “Modellen hebben niet zo makkelijk de neiging om weg te dromen in artistieke associaties.”

Architectuurbiennale Venetië, tot 6 oktober.

Het overhemd van "Big Jim' heeft dezelfde groene kleur als het hellende, geoxydeerd koperen dak van het nieuwe boekenpaviljoen op het biënnale-terrein. Er zijn twee redenen om de Engelse architect James Stirling "big' te noemen, zijn gewicht als ontwerper en zijn geweldige lichamelijke omvang. Hij is, samen met Michael Wilford, de architect van het slanke boekengebouwtje dat als een begerenswaardig schip tussen de bomen ligt met ronde boeg en rechte achtersteven waarop een transparante pijp staat die, als het donker is, een groene laserstraal uitzendt. Het volmaakt afgewerkte interieur en de produkten waarvoor het paviljoen is ontworpen, zijn even verleidelijk als het uiterlijk. Op het bovenvlak van lange lage kasten, die als brede vensterbanken de ononderbroken raamstrook volgen, ligt het "oeuvre' van de Italiaanse uitgever van kunstboeken Electa. Drukwerk om van te watertanden. De drie dikke catalogi die Electa ter gelegenheid van de Quinta Mostra Internazionale di Architettura heeft uitgebracht, zijn ook weer toonbeelden van smaak - en stijlvol uitgeven. In een evenwichtige mengeling van kleur en zwart-wit illustraties zijn de wonderlijke esthetische eigenschappen die elke architectuur-afbeelding in het platte vlak lijkt te bezitten, geraffineerd uitgebuit.

De tekst is helaas uitsluitend in het Italiaans. Het is die zelfingenomen uitstraling, die neiging om alles wat op het ogenblik in de architectuur wordt gepresteerd in te lijven en "internationaal' op te vatten als Italiaans, die de niet-Italiaanse bezoeker van deze architectuur-biënnale wel eens wrevelig maakt.

Big Jim wandelt, of liever waggelt al twee weken lang over het biënnale-terrein en scharrelt opvallend vaak in de buurt van zijn eigen boekenpaviljoen. Hij sluipt eromheen alsof hij het voor het eerst in werkelijkheid ziet. En al twee weken draagt hij hetzelfde groene overhemd en dezelfde groene sokken, boven en onder dezelfde zwarte broek. De vraag die de biënnale-ingewijden steeds meer kwelt is: heeft James Stirling een verzameling van dezelfde groene overhemden of logeert hij in een hotel dat elke nacht zijn overhemd wast en het de volgende morgen schoon en gestreken, samen met zijn ontbijt op zijn kamer aflevert. Het is vertederend om te zien hoe die zware, grijze, ervaren rot in het vak - hij werd in 1926 geboren - steeds weer als door een magneet naar zijn eigen sierlijke creatie wordt getrokken, eromheen draait, een praatje maakt met deze of gene, of het sieraad fotografeert. Welke architect zei ook al weer: “Bekommer je niet meer om je gebouwen nadat ze zijn gefotografeerd”? Michael Graves.

Wat maakt het paviljoen van Stirling zo bijzonder? De subtiele schaal, de geraffineerde detaillering en vooral de manier waarop het schuine, aan alle zijden overstekende dak het geheel domineert, als een elegante breedgerande hoed waaronder een geheimzinnige schoonheid schuilgaat. Zo'n gebouwtje modelleer je voor je plezier. Stirling heeft met dit kleinood zichzelf en het publiek willen behagen en dat is hem zichtbaar gelukt. Daarom kan hij er met zijn ogen niet van afblijven. Het is een gebouw dat als een plastiek op een sokkel niet zou misstaan of, anders gezegd, een maquette gebouwd op ware grootte.

Luxemburg

De Vijfde Internationale Biënnale voor architectuur is een eindeloze en letterlijk adembenemende vertoning - werk van vijftienhonderd architecten uit dertig landen - van de vlucht die de maquettecultuur heeft genomen.

Waren het in de jaren zeventig en tachtig de architectuurtekeningen die werkelijk verklapten wat de voorhoede van de bouwkunst bezielde, nu zijn het de maquettes. En zoals de papieren architectuur in de jaren zeventig en tachtig een steeds groter deel ging uitmaken van het terrein van de beeldende kunst, lijkt die rol in de jaren negentig te zijn toebedeeld aan de maquette, al dan niet op ware grootte. Dat laatste moet erbij, want het is een kenmerk van kleine gebouwen met een zware nadruk op de esthetiek, als het biënnale-paviljoen van Stirling of, bij voorbeeld, het huis Roosmalen van Bob van Reeth (te zien in het Belgische paviljoen) en van bizarre, soms hilarische architectuur die meer weg heeft van beeldende kunst, zoals het werk van Frank Gehry (Verenigde Staten) en Coop Himmelblau (Oostenrijk), dat de maquette samenvalt met de geconstrueerde werkelijkheid.

Een andere verklaring voor de opmars van de driedimensionale architectuurafbeelding ten koste van de afbeelding in het platte vlak is ook in Venetië te vinden. Alle architectuurtekeningen, hoe mooi ook, lijken op elkaar.

Er zijn natuurlijk een paar scholen te onderscheiden. Als het niet zwaarwichtig, kleurig en decoratief moet, dan kiest men de kinderlijke tekening en het coloriet van Aldo Rossi. De inzending van Luxemburg bestaat bijna uitsluitend uit dergelijke tekeningetjes en gekleurde kleiklompachtige plastieken van twee rossianen, de architecten Ermann en Valentiny. Daarnaast toont Luxemburg slechts één echt gebouw in een aparte, vierkante kamer met een maquette in het midden en ontwerptekeningen aan de wand: de Deutsche Bank, ontworpen door prof. Gottfried Böhm. Ondanks de baldadige architechtenbroers Rob en Léon Krier, die onlangs in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een hoogst originele visie op het brave groothertogdom gaven, is volgens de presentatie in Venetië de architectuur van Luxemburg teruggebracht tot een kwestie van kleinkunst en geld.

Naast de populaire Rossi-school is het genre dat wordt gedragen door perspectivische visies als de axonometrie, het liefst in pasteltinten uitgevoerd, ook zeer in trek bij de deelnemende landen. Het is die combinatie van zichtbare ontleedkunde, stereometrische projecties en mooie, zwevende vlakverdeling - Theo van Doesburg is ermee begonnen - die niet alleen borg staat voor een esthetisch aantrekkelijke tekening, maar die ook de constructieve samenhang van een bouwwerk laat zien. Een goede perspectieftekening moet de aard van het gebouw in een oogopslag duidelijk maken, maar vaak worden zulke krankzinnige standpunten ingenomen, dat er weliswaar prachtige kunstwerken ontstaan, maar enige informatie over het ontwerp niet uit de tekening valt op te vissen. Peter Eisenman (Verenigde Staten) is een van de grootste sterren op dit gebied, maar in vrijwel alle landenpaviljoens zijn indrukwekkende collecties perspectieftekeningen te vinden, Italië natuurlijk voorop.

Die massaliteit en de vrijblijvende esthetiek hebben de architectuurtekening tot een doodvermoeid genre gemaakt, dat valt op deze biënnale definitief vast te stellen. Natuurlijk zijn er nog uitzonderingen - Ben van Berkel (Nederland) met zijn ontwerptekeningen voor de Londense Docklands is er een - maar die zijn zo schaars dat ze bedolven raken onder al die oppervlakkige schoonheid waar verder niets op aan te merken valt.

Betrouwbaar

De maquettes op de biënnale zijn weliswaar ook niet te tellen, maar door hun driedimensionale aard blijven zij dichter bij wat zij werkelijk moeten uitbeelden: architectuur. Modellen hebben niet zo makkelijk de neiging om weg te dromen in ondoorgrondelijke interpretaties, ingewikkelde projecties, of artistieke associaties. Maquettes staan nooit op zichzelf, hoe mooi zij ook zijn. Zij dienen om de essentie, de ruimtelijke verhoudingen, de maat en de samenstelling van de onderlinge delen van het gebouw te laten zien.

Een maquette die er niet in slaagt een betrouwbare, overtuigende weerspiegeling te geven van het uitgevoerde ontwerp, deugt niet.

Het is misschien verontrustend om te constateren, maar ondeugdelijke maquettes in deze zin, heb ik op de biënnale niet of nauwelijks gezien. Natuurlijk wel driedimensionale afbeeldingen van slechte gebouwen, heel veel zelfs, of maquettes die uit elkaar vallen of vroeg oud zijn, maar dat zijn tekortkomingen van de kunst van het maquette-maken.

In Japan, waar zelfs het priegelen streng en volgens traditie is geregeld, is die kunst hoog ontwikkeld. Het Japanse paviljoen is helder en streng ingericht. Vijf architecten laten elk een ontwerp zien voor een nieuw concertgebouw in Kyoto. Dat betekent, in een ruim aluminiumkleurig gespoten interieur: vijf maquettes op sokkels en vijf series toelichtende ontwerptekeningen, maar niet te veel. De maquette van het concertgebouw van Arata Isozaki lijkt te zijn opgegraven uit een bodemlaag waarin een voorhistorische beschaving ligt opgeslagen. De huid is van koper, heel donker geoxydeerd met onregelmatige, blauwgrijze vlekken. De maquette bezit het mysterie van een oercultuur. Met welke moderne middelen deze sterke uitstraling in het werkelijke gebouw precies zal worden vormgegeven, is niet duidelijk. Maar dat hoeft ook niet, zeg ik misschien in weerwil van bovenstaande woorden. Dat hoeft niet, omdat deze maquette naast een model van de essentiële contouren, vooral het model is van een stemming die Isozaki in de architectuur van het concertgebouw van Kyoto wil vastleggen.

Stemming is ook het juiste woord voor wat het Griekse paviljoen vertoont. Ik doel op de inzending van de jonge Griekse architecten, een verzameling "Ideeën voor het Griekse paviljoen', want er is ook een tweede Griekse tentoonstelling in een ander gebouw met restauratieplannen uit de jaren vijftig voor antieke Hellas-plekken. De stemming bij de jonge Grieken wordt bepaald door de elegante, originele, bijna vrolijke vormgeving van hun ontwerpideeën voor een paviljoen. Het is natuurlijk ongeveer de aantrekkelijkste opdracht, een landenpaviljoen, en de schaal is van dien aard dat de maquette en de werkelijkheid elkaar niet veel ontlopen. Het gaat niet om een reusachtige airterminal - in het Britse paviljoen met een spectaculaire maquette in de vorm van de doorsnede van een vliegtuigvleugel te zien (architect Nick Grimshaw) - of om ingewikkelde sportaccommodaties voor de Olympische Spelen zoals Spanje natuurlijk Barcelona 1992 laat zien. De jonge Griekse architecten hebben zich zo inventief, muzikaal en vol verbeeldingskracht op dit onderwerp uitgeleefd, dat het resultaat, een spiraalvormige opstelling met achttien plannen een weldaad is voor de vermoeide, met veel clichés en hocus pocus volgestopte biënnale-gangen. Sommige ontwerpen en dus ook hun maquettes, komen regelrecht uit het domein van de minimal art. Een van de mooiste modellen van de vijfde biënnale voor architectuur is hier te vinden: "Mimnermoy 2 architects' van Athanasios Spanomaridis en Iannis Zachariades.

De Grieken hadden ook de prijs voor het beste paviljoen moeten krijgen en niet Oostenrijk. Hollein, Domenig, Coop Himmelblau en Gustav Peichl zijn stuk voor stuk koninkjes in de architectuur. De kleine maquette van Holleins Weense Haas-Haus, geplaatst op een manshoog zuiltje, is een wonderlijk juweel en op de tentoonstelling met mooie modellen en prachtige foto's, van onder andere Peichls nieuwbouw voor het Städel Museum in Frankfurt, is niets aan te merken. Toch lijkt de bekroning van het Oostenrijkse paviljoen teveel op die slappe handdruk waar de uitdrukking "vijf natte sigaren' aan is ontleend.

Als er een onderscheiding zou zijn geweest voor het slechtste paviljoen, dan zou Frankrijk die hebben verdiend. Niet alleen omdat er geen maquette valt te ontdekken, maar vooral omdat de allang bestaande tentoonstelling "40 + 40 Architecten onder de veertig' zo ongegeneerd voeding geeft aan de cultus van Koning Architect, de architect als ster. Niet alleen in Italiaanse ogen, maar ook in de Franse wordt architectuur gezien als een glossy verschijnsel dat bestaat om ons te vermaken, of ons aan te vergapen en niet om ons te dienen en ter beschikking te staan.

In de centrale vierkante hal zijn uitsluitend, in twee rijen boven elkaar, zwartwit-portretten opgehangen van tachtig architecten onder de veertig, onder wie 32 vrouwen. Gezonde jonge mensen, die stuk voor stuk lachend door het leven gaan, koninkjes en koninginnetjes in spe. In de drie omringende zalen hangt aan de muur wat ze zoal hebben ontworpen, een zaal met plattegronden en doorsneden, een zaal met geraffineerde perspectieven en een zaal met oogverblindende kleurenfoto's van gerealiseerd werk. Alles letterlijk en figuurlijk plat, oppervlakkig en pretentieus.

Uitzinnig

Frank Gehry en Peter Eisenman zijn in het paviljoen van de Verenigde Staten bij gezet. Heel Venetië hangt vol met affiches waarop alleen deze twee namen staan afgedrukt. In de Gehry-vleugel klinkt Beethoven om plechtig te vieren dat hij de ontwerpcompetitie voor de Walt Disney Concerthall in Los Angeles heeft gewonnen en zijn concertgebouw wordt in talloze modellen, tekeningen en schetsen uit de doeken gedaan. Gehry heeft het weer voor elkaar. De Walt Disney Concerthall is de meest uitzinnige bijdrage op deze biënnale, ondanks het ook behoorlijk getikte Spiral House van Zvi Mekr in het Israelische paviljoen. De vormen van Frank Gehry zijn bekend, maar de dronken vlakken en rondingen in ogenschijnlijke wanorde samengebracht om een serieuze concertzaal te herbergen, dat is toch opnieuw heel verrassend. De toren uit de eerste ontwerpversie is verdwenen en wat overblijft is een stuurloze bos met stelen die laag bij de grond zijn afgeknipt.

Heerst op de Gehry-afdeling een vrolijke, lacherige stemming - behalve onder een paar fotograferende Japanners die kijken alsof ze de architectuur van Schinkel in Potsdam voor ogen hebben -, in het domein van Eisenman en zijn University of Cincinnati, College of Design, Architecture, Art and Planning wordt met studieuze blikken gekeken. Dit is een heel ander laboratorium, een Bauhaus voor de moderne architectuur en de meeste bezoekers zijn er snel doorheen.

Nederland slaat geen gek figuur op deze biënnale, althans wat de exposerende architecten betreft. Onder het motto "Modernisme zonder dogma' zijn wij onder andere vertegenwoordigd met het ontwerp van Wiel Arets en Wim van den Berg voor de Jan van Eyck Academie in Maastricht, de uitbreiding van Schiphol van Benthem en Crouwel, de Maasbrug van Ben van Berkel - zijn tekeningen van de Docklands-projecten heb ik al genoemd - een villa-uitbreiding van Dirrix en Van Wylick, woningbouw van DKV en werk van Frits van Dongen, Mecanoo, Willem-Jan Neutelings en Frank Roodbeen (met het reeds met de Maaskant-prijs voor jonge architecten bekroonde Europees Octrooibureau), Jan Pesman en Koen van Velsen. Hoewel "Modernisme zonder dogma' ook een vrijbrief kan zijn voor een hoop constructieve en technologische aanstellerij, is daarvan bij de tentoongestelde projecten geen sprake. Strakke elegantie overheerst en de onderscheiding voor de mooiste maquette gaat natuurlijk naar Wiel Arets en Wim van den Berg voor hun in koper uitgevoerd model van de Van Eyck Academie in een bedje van hardsteen.

Voor de inrichting van de Nederlandse inzending werd de zigzag-stoel van de ontwerper van het Nederlands paviljoensgebouw, Gerrit Rietveld, als inspiratie gebruikt (overigens ook door de Grieken, maar dan in staalplaat). Het resultaat is rommelig, krampachtig en niet overzichtelijk. De stoelvariaties staan soms vreemd gerangschikt en het is nooit mooi om in één blikveld allerlei achterkanten met trekkabels tegelijk te zien. Dat uitgerekend de twee in "ons' paviljoen aanwezige stoeltjes om gewoon op te zitten karakterloze grijze stapelstoelen zijn en niet de zigzag-stoelen van Rietveld zelf, is ronduit een blamage.

Vroeg oud

België heeft beter gebruikgemaakt van de ruimte van het allereerste paviljoen in de Giardini (Léon Sneyers, 1907). De tentoongestelde werken van onder anderen M. José van Hee, Stéphane Beel, Luc Deleu en Bob van Reeth zouden niet misstaan onder het Hollandse motto "Modernisme zonder dogma' en omdat het een louter Vlaamse aangelegenheid is, moeten wij de beide bijdragen aan de biënnale in elkaars verlengde beschouwen. De paviljoens in de Giardini zijn bovendien buren.

Met Oost-Europa en de Sovjet-Unie is het op de biënnale schamel gesteld. Polen, Tsjechoslowakije, Roemenië, Hongarije en de Sovjet-Unie maken de indruk net als thuis door de ontwikkelingen te zijn verrast.

In het paviljoen van de Sovjet-Unie ligt de rode loper uit, maar het glas ontbreekt bij de ingelijste kostbare tekeningen uit het vooroorlogse architectuurarchief. Boven het trapgat hangen maquettes uit de categorie "vroeg oud', ontworpen en uit karton geknipt door studenten met tomeloze, soms angstaanjagende ambities. Polen laat kerken zien. Hongarije zoekt zijn heil bij de organische architectuur, gevat in dikke vurenhouten lijsten zodat de bezoeker zich in Scandinavië waant. En in het paviljoen van Roemenië is de maquette van het studentenhuis van Dorin Stefan op de grond gevallen.

Eén keer is het me overkomen dat ik een paviljoen binnenstapte zonder te weten bij welk land ik op bezoek was. Er waren geen maquettes. Tussen plafond en vloer had men panelen gespannen met op de voorkant kleurenfoto's van gebouwen en op de achterkant zwart-wit maquettefoto's en ontwerptekeningen. Boven elk paneel hing een sterk uitvergroot engelenkopje met vleugeltjes op halshoogte. De getoonde architectuur kon overal zijn. Baksteen in banen. Driehoekige glazen shelterdakjes boven entreepartijen, zoals bij het nieuwe casino in Amsterdam. Voorzetgevels met kleine, vierkante raampjes. Rechte zuilen. Veel roodgeverfde, aluminium stijlen. Op een van de foto's stond een auto van onbestemd merk, nummerbord wit met zwarte letters en cijfers. Het Duitse paviljoen, Germania, had ik al achter de rug, nota bene met een uitgebreide tentoonstelling van Heinrich Tessenow (1876-1950), de ontwerper van het elementaire Duitse Spitsburgerhuis en van nog veel meer. Maar wel een goede tekenaar. Spanje had ik ook al gezien. Zouden de meubelen van het zitje in de hal het land van herkomst verraden? Rotan. Ook het tropenkoldermeubilair bood geen houvast.

Buiten bleek ik op bezoek te zijn geweest bij Joegoslavië. Als het om architectuur gaat, een heel gemiddeld land.