Brouille

De laatste keer dat hij mij opbelde, was twee jaar geleden. “Ik heb je aangegeven bij de politie”, zei hij.

“Oh”, antwoordde ik verbluft.

“Ik heb krassen op mijn auto gevonden en volgens mij ben jij de enige die dat gedaan kan hebben.”

“Zet die onzin uit je hoofd, Hans”, zei ik ten slotte, nadat ik van de verbazing was bekomen.

Of hij de politie ook daadwerkelijk op mijn spoor heeft gezet, weet ik niet - ik heb er althans nooit iets van gemerkt - maar ik begreep wel dat het niet zo goed ging met Hans Koetsier. Dat vond ik nogal jammer, want er is ook een tijd geweest dat ik bevriend met hem was en hem bijna iedere dag sprak.

Zijn manier van leven was van een verfrissende excentriciteit en daarbij was hij een gedreven verteller. Maar op een keer vroeg hij mij of ik voor VN zijn boek "Advertisements' wilde bespreken. Ik zei dat ik een afkeer had van recenseren en dat ik het bovendien niet passend vond om een boek te bespreken van iemand die je goed kent. Het boek werd vervolgens door een ander besproken en tot overmaat van ramp gebeurde dat op een tamelijk onzorgvuldige manier.

Die recensie werd mij aangerekend en vanaf dat moment begon de brouille. Nu ben ik zelf ook heel goed in staat een brouille te creëren en die vele jaren te laten voortslepen, maar vergeleken bij hem ben ik op dit terrein maar een kind. Een brouille met Hans Koetsier was een belevenis, bijna een kunstwerk op zichzelf.

Het begon ermee dat hij je bruusk de rug toekeerde als je hem op straat tegenkwam. Kwam er per ongeluk toch een directe confrontatie tot stand, dan rolde hij met de ogen en begon heftig door de neus te snuiven als een briesend paard. In het café liep hij je meestal voorbij, zonder je een blik waardig te keuren, maar soms kwam hij ook naar je toe en zei: “Wil je niet meer komen in de cafés waar ik ook kom.” Meestal weigerde de aangesprokene, zodat het erop neerkwam dat Koetsier zelf zich gedwongen zag het café te mijden. Op die manier trok hij een spoor van geëxcommuniceerde cafés door de stad.

In het laatste stadium werd ook je omgeving in de brouille betrokken: “Als je met hem blijft omgaan, kan ik met jou ook niet meer praten.” Dat leidde er vaak toe dat hij in een café alleen aan een tafeltje moest gaan zitten. Daar zat hij dan, hatend achter zijn krant, vereenzaamd in een granieten soort gelijk. Op die ogenblikken rees zijn calvinistische jeugd op, en ik zag in hem de in zwart laken geklede ouderling die zich afwendt van zijn verloren schaap.

Over het werk van Koetsier is eigenlijk nooit onbevangen geoordeeld. Dat is voor een groot deel zijn eigen schuld. Wie de kranteknipsels doorneemt valt het onmiddellijk op dat het bijna altijd dezelfde mensen waren die over hem hebben geschreven. Een klein groepje getrouwen, daar lette hij nauwkeurig op. Veel van die stukken over zijn werk zijn geschreven in een toon van zorgvuldig balanceren en spitsroeden lopen. De scribenten waren er zich terdege van bewust dat één verkeerd woord een jarenlange vete zou kunnen opleveren.

Over de kunsthistorische betekenis van zijn werk liet vrijwel niemand zich uit. Daardoor droeg hij altijd iets van miskenning om zich heen. Een deel van zijn werk is van een solipsistische onbegrijpelijkheid. Een ander deel, zoals zijn plannen om de Dam vol te spuiten met stierenbloed of om de dieren van Artis te bevrijden, grenst aan het kinderachtige.

Dat is inherent aan de conceptionele kunst. Een idee, en niets meer dan een idee, is al gauw een beetje mager. Een idee zonder uitvoering moet wel heel vindingrijk en geestig zijn om zelfstandig te kunnen overleven. Koetsier was geïnteresseerd in de toekomst van de kunst en hij wilde er achter komen in welke richting de kunst zich ontwikkelde. Toen ik hem een keer zei dat alleen museumdirecteuren en kunsthistorici zo denken, maar dat de kunstenaars zelf wel wat beters te doen hebben dan hun tijd te besteden aan dat soort vragen, wendde hij zich walgend af en had ik bijna alweer ruzie voor een jaar.

Op zijn begrafenis was ik niet. Naar het schijnt staat op zijn graf: "Mijn probleem was greep te krijgen op de kunst: de oplossing werd gevonden in een oneindige structuur.' Soms denk ik dat wat van hem over zal blijven precies het tegenovergestelde is van wat hij ambieerde: de anekdote.