Andromache bij Toneelgroep Amsterdam; Ze kennen hun hart en beheersen het niet

Volgens de jury van het Theaterfestival was Café Lehmitz de beste voorstelling van het jaar. Maar Andromache van regisseur Gerardjan Rijnders was nog veel beter, meent Willem Jan Otten die vandaag zijn serie Herzien hervat. Het is een stuk met poehaloze alexandrijnen waarin met wonderbaarlijke zelfverzekerdheid wordt gespeeld. “Het was alsof Rijnders eindelijk niet boven de tekst stond die hij liet spelen, maar in Racine zijn evenknie gevonden had.”

Het Theaterfestival is afgelopen. Een "erejury' bestaande uit een cultuurfilosoof, een Schotse acteur en een criminoloog hebben, geheel in de geest van het festival, de voorstelling Café Lehmitz uitgekozen als de beste van het vorig seizoen. De geest van het festival was de kleinkunst en de gemakzucht. Café Lehmitz was charmant, beperkt en ijdeltuiterig. Scènetjes in een melancholiek jaren zestig café, koddige typetjes die nimmer de pantomimerige hebbelijkheden van hun acteurs te buiten gingen; een structuurloos samenraapsel van non-verbale nummertjes dat er vooral toe leek te dienen om Jimmy van der Woude weer eens zijn veel te lange, autistische acts op te laten voeren. Echt goed was René van 't Hof, die het in zich heeft om de grootste clown van zijn generatie te worden. De wijze waarop hij met zijn neus, terwijl hij sliep, aan een tafel bleef haken zal ik niet licht vergeten. En er werd, toegegeven, niet dik gedaan in dit sfeerschetsje. Het pretenteerde niet meer om het lijf te hebben dan het had. Ideaal voor toneelhaters. Geknipt voor mensen die van theater niet veel meer verwachten.

Maar een toneelhater ben ik niet, zelfs na de avond solotoneel van Marien Jongewaard niet, de steracteur van Nieuw-West. Ik weet niet wat me nu precies voortijdig de zaal deed verlaten, - de onheldere, slobberpoëtische taal van schrijver Rob de Graaf, of de edelpunkerij van Jongewaard. Het resultaat was in ieder geval geaffecteerd, een oudere jongere met een Calimero-dictie op zoek naar de blanke pit van de punkbolster, en ondertussen mochten we vooral niet vergeten dat wij getuige waren van de mens Jongewaard. Om te benadrukken dat hij het ook allemaal niet meer weet - ben ik echt, of ben ik toneel - richtte hij zich ten slotte rechtstreeks, als Jongewaard, als personage, als Niet Meer Te Ontwarren Knoop van Fictie en Echt, tot de zaal met de vraag Waarom? Waarom doe ik dit? Het was de stuitendste complimentjes-azerij die ik sinds de laatste conférence van Seth Gaaikema heb gezien, en toen iemand uit het publiek de acteur ook begon te antwoorden, op een meevoelende, troostende toon ("je bent heel goed, Marien'), leek het me juist om te vertrekken.

Ondertussen was er maar één voorstelling die een nominatie voor een belangrijk nationaal Theaterfestival echt van begin tot eind verdiende, en dat was Andromache, van Toneelgroep Amsterdam, in de regie van Gerardjan Rijnders. Dit was een voorstelling met een raadsel, en niet de dramatisering van een opvatting. Hij leidde je een wereld binnen die weliswaar alleen op het toneel mogelijk is - een wereld waarin de mensen bijvoorbeeld in lange, metrische zinnen spreken, en minutenlang in één verstolde, opera-achtige pose bleven staan, maar het was, op een onbeschrijflijke wijze, onze wereld. Zoals een droom die alle tijdbesef oprekt en ruimte vreemd maakt altijd mensenwerk blijft.

Het grote onbegrijpelijke van Racine's Andromache is in mijn ogen de hartstocht die de Griek Pyrrhus heeft opgevat voor de titelheldin. Zij is zijn slavin. Oorlogsbuit. Trojaanse. Pyrrhus is degeen die haar vaderstad heeft ingenomen, een ongehoorde slachting aanrichtend. Er is sindsdien nog maar weinig tijd verstreken. Eén, anderhalf jaar. Andromache is van top tot teen gedompeld in rouw. Een razende, onophoudelijk beelden van bloed en stapels lijken genererende rouw. Haar man, Hector, ziet zij op haar netvlies dood en wel door de modder gesleurd worden. Dat heeft Achilles gedaan. Die heeft Hectors dode lichaam zeven keer rond Troje laten sleuren, onder het oog van Andromache. Achilles was de vader van Pyrrhus. En Pyrrhus is in hartstocht ontstoken voor deze vrouw...

Sterrengeneraal

Alle grote tragische personages zijn, als het er op aankomt, te groot, te afgrijselijk. Datgene wat hen drijft ontsnapt aan je mensenkennis. Een tijdje lang kun je van Pyrrhus bijvoorbeeld denken dat hij uit wroeging verliefd is. Dat hij meent met zijn liefde iets recht te kunnen zetten. Hij wekt de indruk op een humanistische wijze het goede met Andromache en haar kind voor te hebben. Hij geeft zelfs toe dat hij tijdens de victorie op Troje in een roes heeft gehandeld, en dat willen we graag horen - dat een sterrengeneraal op een bepaalde manier ook spijt heeft. "Zich zelf niet was.'

Maar als puntje bij paaltje komt is Pyrrhus' liefde allesbehalve humaan. Hij wil totaal geen schulddelging. Als hij door de moorddadig rouwende Andromache wordt afgewezen gedraagt hij zich als een echte minnaar, en ontvlamt hij terstond in wraakzucht. Als ze mij niet wil, dan moet ze weg. Dan tref ik haar waar ik haar maar treffen kan. Dan neem ik haar haar kind af. Dit willen mijn collega's, die willen dat ook de laatste Trojaanse kroonpretendent, hoe jong ook, wordt afgemaakt. Dus waarom nu niet.

Bij Racine liggen hartstocht en haat ongeëvenaard dicht tegen elkaar - ze zijn concaaf en convex van één en dezelfde lens. Afwijzing van hartstocht veroorzaakt moordzucht. Het heeft dus geen zin om je af te vragen of Pyrrhus nog wel Pyrrhus is wanneer hij Andromache haar kind zal afnemen. Hij wil haar dood zoals hij haar liefde wil. En dat hij binnen twee korte, hartverscheurende monologen van Andromache wéér om gaat, en haar het kind teruggeeft, omdat zij in het huwelijk toestemt, dat alles is niet meer dan logisch. Toch beseft hij dan dat zij hem alleen vanwege het kind wil, wat inhoudt: dat hij een volmaakt vernederde vrouw krijgt die hem totaal niet wil. Een hoer van het beklagenswaardigste, gedegradeerdste soort. Dit beseft hij, met zoveel woorden bijna, en toch neemt hij haar aan, en dit maakt hem tot een onthutsend raadsel.

Racine beweert hier, nogmaals, dat hartstocht zich niet afvraagt wat zij krijgt, zolang zij maar krijgt, en dat doorkruising van deze hartstocht een haat opwekt die de ander liever ombrengt. Het is mogelijk dat we met een levende dode trouwen, een geruïneerde slavin, en dat dit ons bevredigt.

Dit gedachtengoed is geen kattepis. Het is welbeschouwd niet eens een gedachtengoed. Het is een inzicht, een erkenning, van een ervaring: de menselijke geest is door en door redeloos. Hartstocht is uit op macht. Als er van Pyrrhus al iets te bevatten valt - op een erkennende wijze -, dan is het dat deze belichaming van de overmacht (eerst als nemer van Troje, daarna als bezitter van Trojaanse slavinnen) zich niet tevreden stelt met de materiële overwinning alleen. Het moet en zal ook nog het hart winnen van degene wier grote liefde en echtgenoot hij heeft verslagen. Althans - zijn vader heeft dat gedaan. Dit geeft aan het stuk een Freudiaanse clue, Pyrrhus wil het doen met de vrouw van de grote tegenstander van pappa. Die clue verkleint het raadsel niet. Er schuilt achter dit alles een kannibalisme, een verwoestend verlangen dat alleen gelest kan worden met, ja met wat? Wat drijft iemand naar een geliefde van wie zeker is dat zij zich nimmer, nimmer zal geven? Waarom wordt deze passie groter naarmate haar overgave onwaarschijnlijker wordt? Waarom denkt het hart dat het een mortale nederlaag lijdt wanneer het wordt afgewezen? Waarom denkt Pyrrhus dat hij tot een nul gereduceerd zal worden als zijn overwonnene bij uitstek - Andromache - niet ook haar hart aan hem schenkt?

Meteorologisch

Racine heeft zijn stuk als een maalstroom laten kolken rond dit vacuüm. Het vacuüm zelf, deze hartstocht, verklaart hij niet. Het is domweg de kracht die zijn handeling in beweging zet. Hij laat het raadsel intact, door het in een handeling om te zetten die zo georganiseerd is dat de kracht steeds maar toeneemt. Dit toneel heeft iets metereologisch. Ergens is een lage-drukgebied, en daar stroomt de wind van de redeloosheid almaar stormachtiger heen. We zijn getuige van een natuurwet. Alles aan dit stuk is op een ijzingwekkende en tegelijkertijd emotionerende manier de waarheid. Het beste en het ergste dat we kunnen kennen.

Juist omdat de kracht zo immens is moet er een opperste zelfbeheersing betracht worden. Vergelijk het, inderdaad, met een storm. Wil je daarin kunnen zeilen, dan neem je een zo klein en stijf mogelijk tuig, en een zo uitgebalanceerd mogelijk schip. Je blijft koel. lets dergelijks doet Racine met zijn volmaakt heldere, poehaloze alexandrijnen die voortdurend een ongelooflijke graad van bewustheid behouden: iedereen is zich altijd volledig bewust van wat hij van zich zelf kan weten. Het grandioze, tjechowiaanse idee van de ondertekst die iets anders wil zeggen dan wat het personage eigenlijk zegt, is hier ondenkbaar. Van hun eigen hart zijn Racine's personages de grootste deskundigen. Welbeschouwd zijn zij ieder afzonderlijk geniale toneelschrijvers. Ze menen wat ze zeggen, en ze zeggen het met een jaloers makende kennis van hun emoties. Alleen - het helpt ze niet. Ze winnen er geen wijsheid mee. Ze kennen hun hart, maar ze beheersen het niet. Hyperbewust en toch hulpeloos.

Ook de voorstelling van Rijnders is genadeloos helder. Ik had sinds lang geen voorstelling van hem gezien, ik weet dus niet of deze Andromache aanknoopt bij een ontwikkeling die al eerder is ingezet. Nu kan ik alleen maar zeggen dat het voor het eerst was dat ik iets van Rijnders zag wat èn even buitengewoon intelligent was als hij zelf, èn door en door emotionerend. Het was alsof hij eindelijk niet boven de tekst stond die hij liet spelen, maar in Racine zijn evenknie gevonden had.

Vernuft

Vroeger, maak ik mij sterk, zou in een drama met zoveel uitgehuwelijkte, vernederde vrouwen "No woman, no cry' te horen zijn geweest; of de latente homoseksualiteit tussen Orestes en Pylades zou "naar boven zijn gehaald'; of er zou in het toneelbeeld "commentaar zijn geleverd', enfin, er zou niet alleen gespeeld zijn, maar ook een dramaturgie zijn gedebiteerd. Misschien doe ik zijn werk uit de tijd dat ik hem zag als toneelrecensent onrecht. Ten slotte heeft hij deze voorstelling gemaakt, en dit is zo meesterlijk, en totaal geen toevalstreffer, het is juist het ultiem beheerste, zorgvuldig doorgedachte resultaat van iemand die overeind wil blijven, met zijn gekozen speelstijl, met zijn psychologisch vernuft, in een raadselachtige, alles op losse schroeven zettende storm. Rijnders zet alles op alles om geen nederlaag te leiden. Hij wil het raadsel van Racine intact laten door het zo diep mogelijk trachten te doorgronden. Wie dit kan, die moet hier, temidden van alle epaterende en vaak melige slagen die hij in de lucht aan het slaan was, altijd mee bezig zijn geweest, en ik denk dat ik dat indertijd niet genoeg heb ingezien.

Ondertussen is deze Andromache een triomf van de buitenkantigheid. Er wordt van buiten naar binnen gewerkt. Alles is pose, geste, choreografie, zinsmelodie, volzinnenmuziek, en dat allemaal in een soort reconstructie van een zeventiende-eeuwse, sterk aan barok-opera's herinnerende speelstijl. Hierover is al veel en verbaasd geschreven. Er is het misleidende woord museaal voor bedacht, kennelijk uit een behoefte om een equivalent te vinden voor het "authentiek' dat opgang heeft gedaan in de oude muziekbeoefening.

Museaal is daarom een misleidend woord, omdat je tijdens deze voorstelling geen seconde het gevoel hebt te kijken naar iets "zoals het bedoeld is'. Ik had althans, na enkele wenminuten, alleen maar de indruk iets te zien dat helder was. Er is een tekst (in de veelgeprezen, zeldzaam muzikale vertaling van Laurens Spoor), en die is hoe dan ook zeventiende-eeuws, en nu zie je die tekst, en dus valt het zeventiende-eeuwserige van het toneelbeeld weg, het is wat het moet zijn. Waren het beeld en de speelwijze "eigentijds' geweest, dan zou de tekst pas echt museaal hebben geklonken.

Onwennig

Wat me bij dit alles het meest opviel was de wonderbaarlijke zelfverzekerheid waarmee door alle acteurs werd gespeeld. Iets dat echt goed is, verschijnt altijd als een fait-accompli. Je rilt, eerst denk je: van onwennigheid, maar daarna weet je: zo reageert mijn zenuwstelsel op schoonheid. Als op iets dat niet van mij is, zich zelf blijft, niet te raken. Raar dit, verontrustend als een verschrikkelijk mooi lichaam.

Je zou willen dat deze voorstelling tot in lengte van dagen wekelijks eenmaal te zien was. Vervolgens denk je: als het een film was, dan kon dat. Ten slotte weet je: op film wordt dit niets. Dit kan alleen op toneel, in een ruimte gevuld met mensen die deze zinnen echt, ter plekke, zeggen, en die dat alleen kunnen omdat wij in de zaal zitten en de zinnen inzuigen.

Los van de weergaloze inhoud was dit voor mij het beste dat me kon overkomen - zien dat iets nimmer film kan zijn, en toch zo indrukwekkend.