"We zeggen nu tegen elkaar: hé, dat kind doet het goed, misschien kan die op den duur wel terug.'

De weg terug is moeilijk. Van elke honderd leerlingen op een LOM-school komt er gemiddeld één terug in het gewone basisonderwijs. En dat terwijl het LOM-onderwijs in zijn oorsprong bedoeld was als een tijdelijke voorziening voor kinderen die het op de gewone school niet kunnen bolwerken.

Maar ze blijven hangen. Omdat hun leerstoornis of gedragsproblemen niet opgevangen kunnen worden in een klas met 36 kinderen, omdat ze juist zo zijn opgebloeid of omdat een nieuwe mislukking tot elke prijs moet worden voorkomen.

Het afgelopen schooljaar zijn zes leerlingen van de openbare LOM-school De Bombardon in Almere teruggekeerd naar de basisschool. Met vier leerlingen is men deze stap nu aan het voorbereiden en het komend jaar gaan er naar verwachting nog eens zes kinderen terug naar het reguliere onderwijs. Ook al is de begeleiding intensief, de resultaten zijn hoopvol.

"Een leerling die teruggaat hoeft helemaal niet perfect te zijn, dat zijn ze op de basisschool ook niet allemaal. En een beetje storend gedrag is geen ramp, als een kind er maar op aan te spreken is.'

Liesbeth Oude Reimer is adjunct-directeur van De Bombardon en daarnaast als ambulant begeleider belast met de terugplaatsing van leerlingen naar de basisschool. De Bombardon maakt deel uit van een samenwerkingproject tussen regulier en speciaal onderwijs en krijgt daarvoor, net als een tiental andere projecten in het land, extra geld van het ministerie van Onderwijs. Het zijn de wegbereiders voor de grote operatie "Weer Samen naar School', die vanaf 1992 het regulier en speciaal onderwijs dichter bij elkaar moet brengen en de toeloop naar het - dure - speciaal onderwijs moet afremmen.

"Vroeger bespraken we alleen de probleemgevallen', zegt Oude Reimer, "de kinderen die het goed deden, daar besteedde je eigenlijk weinig aandacht aan. Doordat we nu steeds meer kinderen terugplaatsen hebben we een andere manier van kijken gekregen. We zeggen tegen elkaar: hé, dat kind doet het goed, misschien kan die op den duur wel terug.'

Maar tussen zo'n constatering en het moment dat een leerling ook werkelijk de LOM-school verlaat zit al gauw een half jaar. Het is een hele stap, niet alleen voor de leerling, ook voor de ouders. "Veel ouders reageren aanvankelijk nogal afhoudend', is de ervaring van Oude Reimer. "Ze zijn juist zo blij dat hun kind het goed doet, en zien op tegen wéér een schoolwisseling.'

Een leerling die in aanmerking komt voor terugplaatsing wordt bekeken door de Commissie van Onderzoek, dezelfde die ook de kinderen beoordeelt wanneer ze worden aangemeld voor het LOM-onderwijs. Daarin zitten naast de schoolarts en een SPV-er van de GGD, ook de directeur van de LOM-school en de psycholoog of orthopedagoog die aan de school verbonden is. Soms wordt aanvullend advies gevraagd aan de fysiotherapeut, bijvoorbeeld als zich problemen hebben voorgedaan op motorisch gebied, of de logopediste in geval van spraakstoornissen.

"Belangrijke overwegingen zijn of het kind in sociaal-emotioneel opzicht de overstap aankan, of de gezinssituatie een beetje meewerkt, of het zelfvertrouwen heeft en zal kunnen functioneren in een grotere groep.'

De criteria die Liesbeth Oude Reimer noemt zijn ook terug te vinden in het "Draaiboek Terugplaatsing' dat de afgelopen periode op grond van de ervaringen is samengesteld. "In het begin gingen alleen de zekere gevallen terug naar de basisschool, kinderen bij wie het gewoon niet kon mislukken. Maar we verleggen onze grenzen, nu durven we het ook aan om leerlingen met zwaardere problemen terug te plaatsen. Je ziet dat de basisscholen het met de begeleiding die wij ze bieden kunnen redden. Ze beschouwen het zelfs als een uitdaging.'

Een stabiele schoolsituatie is een belangrijke voorwaarde. Typerend voor Almere is echter dat door de bevolkingsaanwas de meeste scholen snel groeien en dat geeft in veel gevallen onrust. Van belang is ook dat er op de nieuwe school tijd is voor extra begeleiding en overleg en dat er in de klas "gedifferentieerd gewerkt wordt' (de kinderen leren op een verschillend niveau), zodat de ex-LOM-leerling zonder meteen een buitenbeentje te worden, kan insteken. Terugplaatsen van een leerling met bijvoorbeeld een spellingsachterstand moet mogelijk zijn, vindt Oude Reimer.

Na de keuze van de school breekt de periode van voorbereiding aan - soms moet een overstap gemaakt worden naar andere lesmethodes - en gaat de leerling wennen op de nieuwe school. Om te beginnen één dag per week, later wat meer, en dan wordt er ook aan schoolreisjes en feestelijkheden meegedaan. De ambulant begeleider blijft de leerling, de ouders en de nieuwe onderwijzer nog een jaar na de definitieve overstap met raad en daad terzijde staan. "Er is een groot grijs gebied tussen de basisschool en het LOM-onderwijs, en op dat terrein moeten we onze krachten bundelen'', meent Oude Reimer.

"Er zitten nu kinderen in het speciaal onderwijs die het met extra begeleiding op de basisschool hadden kunnen redden. Ze hebben alleen meer nodig dan het standaardpakket. Maar er is ook een groep voor wie het LOM-onderwijs bittere noodzaak is. Sommige kinderen komen volledig verkreukeld binnen. Depressief, faalangstig, chaotisch, hyperactief, vaak gecombineerd met een leerstoornis en wat wij noemen: een hele negatieve schoolbeleving. Dankzij de kleine groepen, de begeleiding en de warmte redden ze het hier. Nee, een leerling met een eenvoudig leerprobleem kom ik nog maar zelden tegen.'