Vermogensbelasting

SINDS 1893 bestaat in Nederland een belasting op vermogen als aanvulling op de inkomstenbelasting. Zo'n half miljoen Nederlanders (met een totaal vermogen van 47,3 miljard gulden) is jaarlijks acht gulden per duizend gulden vermogen verschuldigd.

Volgens een vorig jaar gepubliceerd onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant (in opdracht van het ministerie van financiën) overweegt een kwart van de grote vermogensbezitters (totaal vermogen 21,9 miljard gulden) om fiscale redenen te emigreren; onder kleine vermogensbezitters is dat tien procent. Niet alle potentiële vertrekkers zullen hun plannen uitvoeren, maar met de totstandkoming van die ene Europese markt kan het aantal meer toenemen dan de fiscus lief is.

Over de hoogte van de vermogensbelasting is sinds de totstandkoming van de Wet op de inkomstenbelasting van 1964 niet meer serieus gediscussieerd. In dat jaar werd op initiatief van de Tweede Kamer de 80-procentsregeling ingevoerd, die het totaal van inkomsten- en vermogensbelasting aan een maximum (80 procent van het belastbare inkomen) bindt. De reparatiewetgeving die aan het einde van de jaren zeventig tot stand kwam om de gaten in de regelgeving te dichten, had al aanleiding kunnen zijn voor een nieuwe discussie. De Europese eenwording vormt nu een reden temeer. Een aantal EG-partners, waaronder buurland België, kent helemaal geen vermogensbelasting. Andere EG-landen die wel een vermogensbelasting kennen, hebben een lager tarief. Ter illustratie: in België ziet de particuliere vermogensbezitter zijn vermogen twee keer zo snel groeien als in Nederland.

ZOALS GEBRUIKELIJK bij belastingen wordt ook bij de heffing van vermogensbelasting het draagkrachtbeginsel als uitgangspunt genomen. Vermogen wordt dan als afzonderlijke factor van draagkracht beschouwd. Bij de behandeling van de Wet inkomstenbelasting in 1964 kwamen twee elementen naar voren. Enerzijds werd het vermogen beschouwd als bron van "gefundeerd inkomen': de vermogensbezitter ontvangt inkomen (uit het vermogen) ongeacht de gesteldheid van zijn arbeidskracht. Anderzijds vormt vermogen een bestedingsreserve, die voor behoeftebevrediging kan worden aangewend.

Bij de wijziging van de Wet op de vermogensbelasting in 1981 moesten de toenmalige bewindslieden toegeven dat de rechtvaardigingsgrond van het "gefundeerde inkomen' onder meer door de inflatie fors was uitgehold. Met andere woorden, vermogen als bestedingsreserve was nog de enig overgebleven grond.

Als rechtvaardiging voor een vermogensbelasting is ook wel genoemd het ontbreken in Nederland van een vermogenswinstbelasting. Dit argument gaat voorbij aan het feit dat vermogen kan zijn verkregen uit eigen besparingen, waarover al inkomstenbelasting is betaald; of uit erfenis of schenking, waarover al successie- of schenkingsrecht is geheven. Hiermee wordt trouwens ook duidelijk dat vermogensbelasting deels een dubbele heffing is. De commissie-Stevens, die het kabinet deze zomer over belastingvereenvoudiging adviseerde, wijst bovendien op de moeilijke uitvoerbaarheid van een heffing op vermogenswinsten. Zo'n belasting zou ook weinig opleveren, omdat vermogensverliezen in ons stelsel dan aftrekbaar dienen te zijn.

Ook het argument van de bestedingsreserve is inmiddels door de totstandkoming van een uitgebreid sociaal zekerheidsstelsel flink uitgehold. Het vermogen is nauwelijks nog te beschouwen als een calamiteitenreserve. En als het dat wel is, dan geeft het geen pas door het heffen van vermogensbelasting jaarlijks wat van die reserve af te halen. De Tilburgse hoogleraar D. Juch kwam enkele jaren geleden tot de conclusie dat vermogensbelasting is geworden tot “een boete op een bestedingsreserve”.

Voor vermogensbelasting in zijn huidige vorm is, net zoals bij een aantal andere belastingheffingen het geval is, de oorspronkelijke rechtvaardigingsgrond weggevallen, aangetast door de maatschappelijke veranderingen. De reden voor de overheid om de vermogensbelasting toch te handhaven is de aantrekkelijke opbrengst van een miljard gulden en het politieke gemak waarmee deze kan worden verdedigd.

HET ENIGE ARGUMENT voor vermogensbelasting dat enigszins overeind blijft is dat de heffing de fiscus in staat stelt controle uit te oefenen op het vermogensbezit. Uit oogpunt van fraudebestrijding kan dat van belang zijn. Maar dan is een tarief van een of twee pro mille voldoende. De budgettaire gevolgen van een flinke verlaging van de vermogensbelasting zullen volgens deskundigen meevallen. Als meer belastingplichtigen binnen de landsgrenzen blijven, zal het budgettaire effect neutraal of zelfs positief zijn.