Toestand Iraakse Koerden "wordt alleen maar slechter'

LONDEN, 12 SEPT. De winter nadert - ook in Koerdistan. In het noorden en noordoosten van Irak, vooral in het gebied dat geheel onder controle staat van de Koerden zelf, bivakkeren op dit moment nog 700.000 vluchtelingen. Voor het grootste deel gaat het om Koerden die begin april naar Turkije en Iran vluchtten, en naar Irak terugkeerden na de komst van de coalitietroepen. De kampen in Turkije zijn al helemaal leeg, in Iran verblijven nog meer dan 100.000 Iraakse Koerden. In de komende maanden zal de neerslag toenemen en de temperatuur dalen totdat, in de loop van november, bijna overal sneeuw zal liggen.

Nu al beschrijven Londense woordvoerders van de twee grote Iraakse Koerdische partijen, de Democratische Partij Koerdistan (KDP) en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), de toestand als “zeer ernstig”. Dr. Latif Rashid van de PUK: “Er zijn grote voedseltekorten, internationale hulp is er nauwelijks, en in de winter wordt het ijskoud. Het grootste deel van de vluchtelingen is afhankelijk van voedsel dat uit Iran komt”. Sherwan Dizayee van de KDP: “Maar ze hebben steeds minder geld over om het te kopen, terwijl de dinar buiten Irak steeds minder waard wordt en de prijzen dus stijgen”.

De reden waarom de vluchtelingen niet naar hun huizen terugkeren, is tweeledig. In de loop van 1989 voltooide de regering de verwoesting van alle nederzettingen in Iraaks Koerdistan, met uitzondering van enkele grote steden. De bewoners van de 4.000 plaatsen die met de grond gelijk waren gemaakt, waren overgebracht naar een soort veestallen in een klein aantal uitgestrekte kampen, waar controle door de autoriteiten veel eenvoudiger was. De kampen in het gebied dat nu onder Koerdische controle staat (ongeveer tweemaal Nederland) zijn ten dele weer bewoond. Maar honderdduizenden vluchtelingen geven de voorkeur aan een verblijf bij de puinhopen van hun oorspronkelijke woningen. Hun beweegredenen zijn niet alleen sentimenteel: ze zijn ook terug bij hun akkers en kunnen - voor zover zaaigoed kon worden bemachtigd - daar zelf voedsel produceren.

Daarnaast is aanhoudende onzekerheid over hun persoonlijke veiligheid voor velen een goede reden om in de zone te blijven waar het Koerdische Nationale Front, de coalitie van de belangrijkste Koerdische partijen, het bestuur uitoefent.

“Het plotselinge vertrek van de coalitietroepen was voor veel Koerden een zware klap. De angst was groot dat de Irakezen zouden terugkeren”, memoreert Dizayee. De aanwezigheid van 5.000 Westerse militairen in Turkije op vijf kilometer van de grens met Irak, die klaar staan voor het geval het Irakese leger het voormalige safe haven-gebied zou binnentrekken en de slepende onderhandelingen tussen het IKF en de regering in Bagdad, hebben die angst voorlopig getemperd, maar de ongerustheid blijft. “Als de onderhandelingen definitief falen en Irakezen weer dreigen terug te keren”, aldus Dizayee, “is de kans groot dat velen weer het land uitvluchten.”

Een Koerdische troef bij de onderhandelingen is en blijft de zwakke positie van het Ba'ath-regime, internationaal maar ook in Koerdistan. Na de rellen in de Koerdische steden Arbil en Sulaymaniyah, buiten het door de Koerden gecontroleerde gebied, werd op verzoek van de regering in Sulaymaniyah het gezag door de Koerdische peshmerga's overgenomen en trokken de regeringsmilitairen zich buiten de stad terug. In Arbil wordt het gezag door de regering en de Koerden sindsdien samen gedragen, waarbij de Koerden volgens Dizayee het laatste woord hebben.

Voor de massale hulp die de Koerden nog steeds nodig hebben, is de huidige schemertoestand niet bevorderlijk. Het vertrek van de coalitietroepen werd door veel hulporganisaties gevolgd. De Koerdische woordvoerders in Londen onderstrepen evenwel dat iedereen die dat wil, nog steeds in het gebied kan werken - onder Koerdische bescherming. Het Rode Kruis, dat sinds april 200.000 vluchtelingen in de omgeving van Penjwin voedt, geeft echter de voorkeur aan logistieke lijnen via Bagdad. De route via Turkije en Zakho, in Irak geheel onder Koerdische controle, wordt door veel organisaties te riskant gevonden voor hulp met een permanent karakter.

Voor de wederopbouw van hun woningen hebben de Koerden, alle gebrek aan bouwmiddelen ten spijt, enkele maanden geleden een eigen organisatie in het leven geroepen, Desgay Awadany Kurdistan. Dara Reshid, een Koerd die tien jaar geleden naar Engeland vluchtte en daar een ingenieursopleiding volgde, is inmiddels als een van een reeks Desgai-vrijwilligers naar Noord-Irak vertrokken met onder andere bouwtekeningen voor een zelf ontworpen noodhospitaal in zijn bagage. “Ons belangrijkste doel is de dorpen weer op te bouwen”, zegt hij. “Maar ik denk dat we daar voorlopig niet aan toe zullen komen. Het gaat er nu om zoveel mogelijk noodwoningen te bouwen voor de winter invalt.”