Tandloze pulpheld

Miami Blues. Regie: George Armitage. Met: Alec Baldwin, Fred Ward, Jennifer Jason Leigh. Amsterdam, Calypso 2; Rotterdam, Cinerama 4; Den Haag, Asta 3; Groenlo, Mattelier; Kaatsheuvel, Apollo.

Regisseur Jonathan Demme heeft een lange weg afgelegd van zijn exploitatiefilms in het midden van de jaren zeventig voor producent Roger Corman (titels als Caged Heat en Crazy Mama dekten de lading) naar het succes van The Silence of the Lambs. Toch zijn er mensen (Huub Bals bij voorbeeld) die het talent van Demme altijd onderkend hebben. De reputatie van Demme begon net in bredere kring door te breken met grillige en rebelse gangsterfantasieën als Something Wild en Married to the Mob, toen hij de filmrechten in handen kreeg van een misdaadromannetje van wijlen Charles Willeford. De hoofdpersoon is een groezelige rechercheur uit Miami, sergeant Hoke Moseley, een verre nazaat van de pulphelden uit de série noire. Voor Demme was het zelf regisseren van de verfilming een min of meer gepasseerd station in zijn carrière, dus besloot hij Miami Blues wel te produceren, maar de regie over te laten aan een oude makker uit de Corman-periode. George Armitage is nog steeds een zo goed als onbekende naam, ten onrechte, zoals blijkt uit de kwaliteit van Miami Blues. Die is niet evident; net als bij de vroege films van Demme moet je die ontdekken achter de genre-buitenkant, in dit geval verwant aan de tv-serie Miami Vice.

Van pulpromannetjes hoeft men zelden een hecht doortimmerde plot te verwachten. Miami Blues moet het dan ook eerder hebben van sfeer en, door hoofdrolspelers Fred Ward, Alec Baldwin en Jennifer Jason Leigh overtuigend vormgegeven karakters. Baldwin is, zo blijkt al uit de allereerste beelden, een gevaarlijke en amorele crimineel, die uit de gevangenis aangekomen op het vliegveld van Miami meteen aan het moorden slaat. In het hotel bestelt hij een meisje (Leigh), dat door haar pruilerige onschuld slecht beantwoordt aan clichés over een hotelprostituée. Demme had het duo kunnen bedenken: een gestoorde misdadiger en een blozend hoertje, die samen rozegeur en maneschijn spelen in een schattig ingericht liefdesnestje; als hij naar zijn werk gaat, zoent ze hem op de drempel. Daartegenover staat de gekreukelde en zonder illusies door het leven gaande rechercheur, met net iets te veel behaagzucht toch overtuigend gespeeld door Ward. Baldwin breekt 's nachts in bij zijn tegenstander en steelt diens revolver, politiepenning en kunstgebit. Zoiets roept om wraak, maar Ward houdt zich in, omdat hij te weinig bewijzen heeft. Dus brengt hij het leuke jonge stel een beleefdheidsbezoekje en keuvelt gezellig mee over recepten voor karbonaadjes.

De omdraaiing van de traditionele rolverdeling tussen deugd en ondeugd wordt door Armitage bekwaam gekruid met tegendraadse humor en enkele behoorlijk harde, evenzeer verontrustende geweldscènes. Het thema van de rolwisseling keert terug in het feit dat Baldwin met zijn gestolen penning voor politieman speelt en zich verkneukelt over dat onrechtmatig verkregen prestige. Hij verhindert aarzelend een toevallig bijgewoonde roofoverval en pest andere politiemensen met eveneens per ongeluk ontdekte details over hun corruptie. Het kwaad wordt uiteindelijk toch bestraft, maar als Ward zijn kunstgebit weer op de geëigende plaats terug mag zetten, kun je dat nauwelijks een geruststellend herstel van "law and order' noemen.

Miami Blues is in zijn totaliteit te onevenwichtig om echt interessant te worden. Maar de naam van George Armitage mag op de lijst van regissseurs om in de gaten te houden.