Ser: regulerende heffingen beter instrument om vervuiling te bestrijden; Kabinet geeft te veel milieusubsidies

DEN HAAG, 12 SEPT. Een schoon milieu kost geld, dat de vervuiler moet betalen. Daar komt het rapport Economie en Milieu, dat Commissie van Economische Deskundigen van de Sociaal-Economische Raad gisteren publiceerde, in essentie op neer. Maar de professoren Van Muiswinkel, Driehuis, Kuipers, Nieuwenburg, Schouten en Siebrand, geadviseerd door hun collega's Fase, Hartog, Wellink en Zalm, laten het daar niet bij.

Ze vinden dat het Nederlandse overheidsbeleid, zoals verwoord in de nota Technologie en Milieu die begin dit jaar verscheen, veel te veel uitgaat van subsidies. Dan betaalt niet de vervuiler maar de overheid. De Ser-economen geven de voorkeur aan verhandelbare emissierechten, voortschrijdende normstelling of, vooral, regulerende heffingen. Want dàn worden de milieukosten wèl vertaald in de beslissingen van producenten en consumenten.

De discussie, binnen en buiten het kabinet, spitst zich momenteel in Nederland toe op het energieverbruik. Het kabinet wil de bestaande heffingen op het energieverbruik per 1 januari 1992 verhogen en per 1 januari 1993 een nieuwe heffing introduceren. De opbrengst van die laatste heffing wordt niet langer gebruikt om het energiebeleid te financieren maar is louter bedoeld om het gedrag van energieverbruikers te benvloeden. Een echte regulerende heffing dus, waarover minister Andriessen van Economische Zaken zo zijn bedenkingen heeft.

In mei j.l. haalde Andriessen in het blad Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer fors uit. Niet dat hij een principiële tegenstander is van heffingen die beogen het energieverbruik terug te dringen, want: “Marktconforme instrumenten hebben zo hun charmes”. Niettemin: “Heffingen maken voorlopig geen deel uit van het instrumentenpakket”. Waarom dan niet? Andriessen: “Ik vind het onverstandig dat nu reeds dreigt te worden getornd aan het prille gecombineerde subsidiesysteem van de overheid en de nutssector. Dat komt het image van de overheid niet ten goede (...).”

De minister van Economische Zaken stelde vervolgens dat, als je het energieverbruik werkelijk wilt reduceren, een zeer forse heffing nodig is, wellicht zo fors dat de energieprijs wordt verdubbeld. Verwijzend naar Groot-Brittannië waarschuwde hij: “Dan dreigen er poll-tax-achtige toestanden” (volgens Planbureau-berekeningen zou een energiebesparing van 10 procent een heffing van liefst 35 tot 100 procent vergen, KC). Tenslotte mag de concurrentiepositie van de energie-intensitieve Nederlandse export niet de dupe worden van energieheffingen, aldus Andriessen.

De Ser-economen laten zich - wijselijk - niet uit over de energieheffing in het bijzonder. Maar in het algemeen zijn zij uiterst positief over een regulerende heffing op het gebruik van hulp- of grondstoffen of eindprodukten. Volgens Van Muiswinkel c.s. is het onzin dat je nieuwe milieu-technologieën alleen met subsidies kunt bevorderen. Dat kan ook met heffingen. Ze noemen als voorbeeld de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater. Bij het opstellen van het Indicatief Meerjarenplan Verontreiniging Oppervlaktewater berekende het Centraal Planbureau in 1972 dat dit plan de produktiegroei zou schaden. Achteraf is gebleken dat dit plan de technologische ontwikkeling sterk heeft bevorderd omdat tal van bedrijven een procesgeïntegreerde afwvalwaterbehandeling introduceerden. Gist Brocades verwierf als producent van deze apparatuur zelfs een toonaangevende positie. Op dezelfde wijze verwierven Japanse bedrijven een dominante rol in de ontzwavelingstechnologie dankzij een heffing op zwaveldioxide.

Niet zonder instemming citeren de Ser-economen het artikel van E.J. Tuininga van eerder dit jaar in het vakblad ESB, waarin de overheid wordt verweten teveel via het Engelse consensusmodel, met conventanten en subsidies, te werken. Gelet op de snelheid waarmee het milieu verslechtert zou het Amerikaanse confrontatiemodel, waarin straffen en heffingen centraal staan, de voorkeur verdienen. Wel wordt daaraan toegevoegd dat milieuheffingen niet mogen worden gebruikt om inkomenspolitiek te bedrijven en dat de opbrengst van regulerende heffingen moet worden gebruikt voor lastenverlichting elders. Dat gebeurt niet altijd. De accijnzen op alcohol en tabak bijvoorbeeld, waren ooit bedoeld om het gebruik terug te dringen maar dienen nu vooral om de schatkist te spekken.

De belasting van het milieu is in Nederland, vergeleken met omringende landen of de VS, relatief hoog. Volgens het NMP (1989) zou het wegnemen van de acute milieuproblemen van het verleden minstens 126 miljard gulden vergen. De afhoudende reacties vanuit werkgevers- en vakbondskring zijn dan ook best begrijpelijk. Het argument dat Nederland niet mag vooruitlopen op het buitenland wordt door de Ser-economen echter niet gedeeld. Een pioniersrol heeft ook voordelen en vooral binnen de EG zijn er mogelijkheden om te onderhandelen over een gezamenlijke aanpak.