Oerheld

De bijdrage van Libbenga "Een oerheld met toch wel erg korte beentjes' (W&O 29 aug.) illustreerde bijzonder fraai een aantal wezenlijke facetten van het onderzoek aan mensachtige fossielen, zonder die verder te noemen.

Misschien ziet men wat genoemd werd ""de toch al twistzieke paleoantropologische gemeenschap'' en de daarin figurerende "vakgeleerden' met iets andere, vooral mildere ogen, als deze gewoonlijk onderbelichte facetten eens naar voren worden gebracht.

Het zoeken naar fossielen van onze verre voorouders en hun direkte verwanten kost zeer veel tijd en energie, en dus geld. Gewoonlijk wordt er niet echt veel gevonden en is het materiaal erg fragmentarisch. Om de voortgang van het onderzoek te garanderen zal men dus van het weinige dat aan het licht komt, optimaal moeten profiteren. De vondsten moeten niet alleen nauwkeurig in de voor leken weinig aantrekkelijke vakliteratuur beschreven en geïnterpreteerd worden. Ze moeten vooral óók met veel nadruk onder de aandacht van het grote publiek worden gebracht. Als dit lukt, is de kans dat de sponsors tevreden zijn en dat het werk kan worden voortgezet, het grootst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de populaire pers veel vondsten vergezeld gaan van de bewering dat door de sensationele nieuwe ontdekking de bestaande theorieën aangaande de menselijke afstamming grondig zullen moeten worden herzien. Daartoe is dan nog veel nieuw onderzoek beslist noodzakelijk, zo stelt men. Ook de ouderdom van het gevondene wordt vaak heel bijzonder genoemd. En dan wordt er natuurlijk, leuk voor de mensen, keer op keer de op het eerste gezicht misschien interessante, maar in feite onzinnige vraag gesteld, ook door Libbenga (als het om het befaamde fossiel Lucy gaat): ""Waarom gaat het nu precies: mensaap of een tussenvorm van mensaap en aapmens?'' Zo'n vraag valt natuurlijk alleen te beantwoorden als iemand eerst een definitie geeft van die termen, inclusief "aap' en "mens'. Tenslotte dient men te beseffen, dat velen kennelijk bijzonder graag willen weten welke van onze fossiele voorouders rechtop liepen, hoe lang geleden dat al zo was, of ze daarbij misschien nog een beetje waggelden, of ze goed in bomen konden klimmen, konden zwemmen, misschien een beetje konden praten, of ze in hun neus peuterden met grote teen of pink, enz. Dat soort brandende vragen moet dus met een minimum aan feitenmateriaal beantwoord worden en dat gebeurt, want het brengt een deel van de aandacht die nodig is om het werk voort te kunnen zetten. Het is duidelijk dat er dan hoog oplopende meningsverschillen kunnen ontstaan. De vorm van Lucy's bekken en de indruk van de grote teen van een soortgenoot, laten meer dan één interpretatie aangaande de leefwijze van afarensis toe. Libbenga vertelt hoe een zekere Kimbel van een "zeer produktieve' vindplaats (""we waren verbaasd over de kwantiteit'') op basis van slechts één stuk bovenarm stelt dat afarensis zeer krachtige armspieren had, waarbij de vraag of dit mensachtige wezen daardoor wellicht in staat was om hoog in de boomtoppen rond te zwieren, vooralsnog onbeantwoord blijft. Om hierover meer te kunnen zeggen, blijkt nog meer onderzoek nodig te zijn. ""Het is nog maar de vraag of alle raadsels rond Lucy kunnen worden opgelost'', wordt vervolgens uit de mond van Kimbel opgetekend. Een waar woord om mee te besluiten, al is er geen vakgeleerde nodig om dit te verzinnen.