"Misschien waren we allebei teveel boekhouder'; Val kabinet na motie van Schmelzer was geen "moord met voorbedachten rade'; Ex-politici werpen zich vol overgave op de achtergronden

DEN HAAG, 12 SEPT. “Het heeft mij verbaasd dat zo'n uiterst capabele politicus als Cals zo'n fout heeft gemaakt, en dat niemand hem daarvan weerhouden heeft”, zegt J. Zijlstra.

“Niet heeft kúnnen weerhouden”, zegt B. Biesheuvel (lid van het kabinet-Cals) Zijlstra: “Het mocht van de PvdA niet.” Biesheuvel: “Maar Cals wilde het zelf ook niet.” De kwestie was: had premier Cals in 1966 een motie van fractieleider Schmelzer van de KVP naast zich neer moeten leggen om vervolgens rustig door te regeren? Schmelzer vroeg de regering in zijn motie om meer financiële garanties. Cals interpreteerde het als een motie van wantrouwen en liet zijn kabinet (KVP-PvdA-ARP) aftreden. Bijna vijfentwintig jaar na dato ontstond daarover gisteren in het Haagse perscentrum Nieuwspoort een uiterst levendige discussie tussen een aantal toenmalige politieke kopstukken.

“Een ernstige fout van Cals”, meende Zijlstra, die zelf geen deel uitmaakte van het kabinet-Cals. “Hij heeft zichzelf overschat. Hij heeft, met een aantal ministers, gedacht: als het kabinet nu valt, is er geen enkel alternatief. Hij verwachtte dat ze weer bij hem zouden aankloppen voor een reconstructie van het kabinet.” Biesheuvel onthulde daarop dat hij met twee andere ministers Cals had proberen te overreden om Schmelzers motie niet als een motie van wantrouwen te beschouwen. Maar Cals liet zich niet vermurwen. Biesheuvel noemde het - in tegenstelling tot Zijlstra - overigens wel “alleszins begrijpelijk” dat de “scherpe motie” door het kabinet als een motie van wantrouwen was ervaren.

Old politicians never die. Daar leek het in Nieuwspoort veel op. Sleutelfiguren uit “de nacht” als Cals, Vondeling en Klompé mogen dan niet meer onder ons zijn, andere coryfeeën van weleer - Schmelzer, Biesheuvel, Zijlstra, Nelissen, Witteveen, Scholten - waren nog fit genoeg om op te draven voor de presentatie van De val van het kabinet-Cals, een boek van een ex-collega, dr. H. Notenboom, in de jaren zestig en zeventig de financiële woordvoerder van de KVP-fractie in de Tweede Kamer. Notenboom analyseert in zijn boek de financiële politiek van de KVP in de parlementaire periode 1963-1967. De hoofdmoot wordt gevormd door de nacht van Schmelzer, die het politieke landschap in Nederland zo ingrijpend veranderde: een afscheiding op termijn in de KVP (PPR) en een breuk met de PvdA (anti-KVP-resolutie).

Notenboom beperkt zich in zijn boek tot de financiële dimensies van "de nacht', maar de uitgenodigde ex-politici wierpen zich met overgave op de politieke achtergronden. Biesheuvel zette de toon met een pittige rede waarin hij de geschiedschrijvers van straks alvast een helpende hand bood. “Het lijkt een repeterende breuk”, zei hij niet zonder sarcasme. “Als de PvdA regeringsverantwoordelijkheid draagt gaat er iets mis. Enkele jaartallen: 1958, 1966, 1977, 1982 en nu 1991. Steeds intrigerender wordt de vraag: "Hoe komt het toch dat de PvdA telkens weer, keer op keer, in de problemen komt als deze partij deel uitmaakt van een kabinet'?”

In tegenstelling tot de christen-democratische partijen is de achterban van de PvdA, volgens Biesheuvel, niet in staat grote electorale tegenslagen te verwerken. Vooral in 1958, 1966 en 1991 waren er teleurstellende, tussentijdse verkiezingen die paniek in de PvdA deden ontstaan. Biesheuvel voorspelde desgevraagd dat het nu opnieuw mis zal gaan. Hij maakte er één kanttekening bij: “Beslissend is de standvastigheid van de fractie ten opzichte van de achterban. In de fractie behoort de beslissing te vallen. Wöltgens moet dat aan het congres duidelijk maken.”

In 1966 was het, volgens Biesheuvel, de nederlaag van de PvdA bij de Statenverkiezingen die het begin van het einde van het kabinet-Cals inluidde. Biesheuvel: “Vondeling, beoogd lijsttrekker voor zijn partij in 1967, raakte door de nederlaag uit de gratie bij zijn partij. Den Uyl werd de uitverkorene. Het gezag van Vondeling (minister van financiën in het kabinet-Cals - red.) werd daarmee aangetast, terwijl Den Uyl (minister van economische zaken) nog meer partijpolitiek in de Trèveszaal bracht dan wij al van hem gewend waren.” Biesheuvel herinnerde eraan hoe een gezond dekkingsplan van Vondeling in augustus 1966 “met name door Den Uyl” in de ministerraad aan flarden werd geschoten. Twee maanden later was de val van het kabinet-Cals een feit.

De problemen van Vondeling in de ministerraad vormen ook in Notenbooms boek de interessantste onthulling. In de notulen van de ministerraad ontdekte hij hoe Vondeling vergeefs vocht voor een zuiniger uitgavenpatroon. Notenboom: “Het kabinet besluit tot een uitgavenniveau dat 812 miljoen hoger ligt dan Vondeling had gewenst.” Maar Notenboom legt - in tegenstelling tot Biesheuvel - de verantwoordelijkheid daarvoor niet hoofdzakelijk bij Den Uyl. Hij wijst er op dat ook de KVP-ministers Veldkamp en Bogaers halsstarrige “big spenders” waren. (Over Veldkamp schrijft Notenboom: “....die in een onrealistisch korte periode het sociale verzekeringsgebouw lijkt te willen voltooien en zich van de financiële kaders van parlement en regeringsfracties niets aantrekt.”) Bovendien werd Vondeling niet altijd gesteund door Cals.

Voor Notenboom is het nog altijd onbegrijpelijk dat Vondeling naderhand nooit iets over zijn problemen in de ministerraad heeft geopenbaard. “Waarom heeft hij nooit gezegd: ik wilde wel, maar Veldkamp zat me dwars?” Vondeling trok daarentegen in zijn memoires, Nasmaak en voorproef, wèl fel van leer tegen Schmelzer. Hij noemde diens motie “moord met voorbedachten rade”. Het was een theorie die lange tijd opgeld deed: Schmelzer was de achterbakse snoodaard die zijn partijgenoot en rivaal Cals een dolkstoot in de rug had toegediend. Toen Wim Kan daarop Schmelzer karikaturiseerde als “een gladde teckel met een vette kluif in zijn bek”, was de mythe voltooid.

Inmiddels is de rol van Schmelzer aan een herwaardering onderhevig. Historici hebben al eerder gewezen op feitelijke onjuistheden in Vondelings memoires. De "moord-theorie' is in het licht van de recente onthullingen moeilijk verdedigbaar. Biesheuvel zei dan ook gisteren: “Moord met voorbedachten rade? Neen. Een motie van wantrouwen? Ja en neen. Ik heb geen reden om aan te nemen dat Schmelzer en Notenboom uit waren op de val van het kabinet.”

Notenboom beklemtoont in zijn boek dat Schmelzer nooit is uitgeweest op een crisis. Hij wijst erop dat Schmelzer door de financiële specialisten in zijn fractie zelfs moest worden geprest niet te toegevend tegenover het kabinet te zijn. En wie was de belangrijkste financiële specialist in die fractie? Notenboom.

Op de persconferentie vertoefde Notenboom gisteren weer, bescheiden als vanouds, in de schaduw van de grote politici. In zijn boek kruipt hij af en toe voorzichtig tevoorschijn als de adviseur die een veel grotere rol heeft gespeeld dan menigeen tot dusver heeft beseft. De financiën, geeft Notenboom desgevraagd toe, interesseerden Schmelzer niet bovenmatig. Hij vertrouwde op de deskundigheid van zijn adviseurs. “Schmelzer had natuurlijk zijn eigen verantwoordelijkheid”, zegt Notenboom nu, “maar achteraf bezien concludeer ik dat het financiële clubje rond hem ook een grote verantwoordelijkheid heeft gehad voor de gang van zaken.”

Notenboom was een strenge - voor sommigen starre - adviseur. Voor hem, groot geworden in de wereld van de katholieke middenstandsbonden, gold vooral het adagium: de kas moet kloppen. De financiële risico's die het kabinet-Cals nam, waren hem een gruwel. Hoe zou de beruchte nacht zijn verlopen als Notenboom een tegengesteld advies had uitgebracht? “U vraagt me allerlei dingen die ik mezelf ook afvraag”, ontwijkt hij.

Ziedaar de Nederlandse politiek in een - excuses voor de onvermijdelijke woordspeling - notedop: de nacht van Schmelzer, dit breukvlak in de Nederlandse politiek, werd mede veroorzaakt door iemand tegen wie Vondeling naderhand eens zei: “Misschien waren we wel allebei teveel boekhouder.”