Milieuheffing is de "WAO' van de ondernemers

ROTTERDAM, 12 SEPT. In felheid en taalgebruik beginnen de Nederlandse werkgevers bij hun strijd tegen sommige kabinetsplannen de vakbeweging te evenaren. De WAO-bezuinigingen, twistpunt tussen kabinet en vakbonden, laten zij nagenoeg onberoerd, maar deze week kwamen de ondernemersorganisaties tot drie keer toe in de publiciteit met hun gecoördineerd offensief tegen nieuwe brandstofheffingen.

“Onzinnig” noemde maandag het Samenwerkingsverband Industriële Grootverbruikers van Energie (SIGE) de kabinetsvoorstellen voor een forse verhoging van milieuheffingen op olie, aardgas, kolen en elektriciteit. Dinsdag deed ir. R.E. Selman, voorzitter van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie daar nog een schepje bovenop: “Nederland prijst zich zo verder uit de markt. Dit is het verkeerde signaal op het verkeerde moment”, liet hij in een interview met het verenigingsblad weten. Het NCW, de club van christelijke werkgevers, kwalificeerde het heffingenplan als “desastreus”, en gisteren sloeg de altoos keurige, nieuwe voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemningen, dr. A.H.G. Rinnooy Kan voor zijn doen radicale taal uit: het kabinet gebruikt de brandstofheffing als een "melkkoe': “Dit is werkelijk onaanvaardbaar”.

Het meest hebben de ondernemers er de pest over in dat het kabinet er naar streeft de brandstoffen volgend jaar alleen op nationaal niveau te verhogen, waardoor vooral de bedrijven die veel energie voor hun produktie nodig hebben een ernstig concurrentienadeel ten opzichte van hun buitenlandse collega's zouden ondervinden. Van hun eigen vertegenwoordiger in het kabinet, de vroegere NCW-voorzitter, minister Andriessen van economische zaken, hadden ze dat niet verwacht.

Een het tweede "pijnpunt' is dat de opbrengst van de heffing niet alleen wordt bestemd voor het milieubeleid in enge zin. Dat is wat Rinnooy Kan bedoelt met de melkkoe. Het SIGE gaat nog wat verder en constateert dat de ministers de "zuivere bestemmingsheffing' die vanaf 1988 krachtens de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (WABM) werd geïnd, nu willen veranderen in een “aanvullende financiering van het overheidstekort”. Met andere woorden: een ordinaire belastingverhoging. Het departement van milieuminister Alders (VROM) ontkent dat krachtig.

De ondernemers spuien hun kritiek op een strategisch moment, want het kabinet heeft het wetsvoorstel voor de verandering en verhoging van de nationale brandstofheffing in juli, net voor de vakantieperiode, voor advies aan de Raad van State en de Centrale Raad voor de Milieuhygiëne gestuurd. Voor deze twee adviesorganen en ook voor het parlement is er dus nog ampel gelegenheid om rekening te houden met bezwaren. Volgens het wetsvoorstel moet de opbrengst van de heffing, die dit jaar op 926 miljoen gulden is geraamd, in fasen worden verhoogd tot 2,2 miljard gulden.

Nederland is koploper met zijn milieubeleid, dat voortvloeit uit de regeerakkoorden van het vorige en het huidige kabinet en het NMP en NMP-plus. Als enige lidstaat in de EG en de OESO wil de regering de brandstofheffing per 1 januari volgend jaar al verhogen tot een opbrengst van 1,5 miljard gulden om de energiebesparing een extra duw in de rug te geven en zo de milieubelasting te verminderen. Het jaar daarop zou daar nog een Europese heffing bij moeten komen, maar daarbij gaat het om een "regulerende heffing' waarvan de opbrengst in de vorm van lastenverlaging weer aan de consumenten en ondernemers wordt teruggegeven.

Voor grote ondernemingen die veel energie nodig hebben, komen de concurrentieverhoudingen direct om de hoek kijken. De Nederlandse chemische industrie bijvoorbeeld, die meer dan 100.000 werknemers telt en voor nog eens 200.000 arbeidsplaatsen bij toeleverende bedrijven zorgt, exporteert 75 procent van haar afzet. Ook de raffinaderijen, papierfabrieken, aluminium- , zink- en glasfabrieken en Hoogovens zijn van veel export afhankelijk. Bij aanmerkelijk hogere energieprijzen worden de produkten niet alleen binnen de EG maar ook daarbuiten te duur en dreigen de orders naar de Verenigde Staten, Japan en andere goedkopere landen in het Verre Oosten te verhuizen.

Het brandstoffenplan doet de grote industrie extra pijn, omdat minister Andriessen begin dit jaar nog met een aantal sectoren overeenkomsten had gesloten over energiebesparing. De industrie zou extra investeringen in zuiniger apparatuur doen om tegen het jaar 2000 15 tot 20 procent te besparen en verder niet geplaagd worden door extra brandstofheffingen.

Het motief van het kabinet om nu toch tegelijk de energielasten te verhogen, is dat er tot nu toe een te groot deel van de kosten voor het milieubeleid uit de algemene middelen (belastingen) wordt betaald en er een nauwere relatie moet worden gelegd tussen de vervuiling en de kosten daarvan. De Tweede Kamer heeft daar meermalen op aangedrongen. Volgens een woordvoerder van het ministerie van VROM zullen de opbrengsten van de nieuwe heffing "volledig' aan het milieubeleid ten goede komen en zou er dus geen sprake zijn van het "melkkoe'-effect waarvan VNO-voorzitter Rinnooy Kan spreekt.

Wat zijn bestemmingen dan precies? Volgens de woordvoerder van minister Alders gaat het om alle kosten die het departement maakt, met uitzondering van de personeelslasten, en verder bodemsanering voor zover die niet direct door bedrijven wordt betaald, de sanering van vervuilde rivierbodems en uitkeringen aan gemeenten voor milieubescherming. Ook de ammoniakmaatregelen van het ministerie van landbouw (mestbeleid) worden uit de opbrengst betaald, de subsidies voor mestverwerkende fabrieken, kosten voor natuurbehoud en voor het beleid dat voortvloeit uit de derde nota waterhuishouding, de subsidies voor energiebeparing en investeringen in het openbaar vervoer en zelfs milieuprojecten in ontwikkelingslanden.

Het is goed dat er een wijze Raad van State is die nog eens goed naar de concurrentiegevolgen kijkt en de stofkam door het wetsvoorstel haalt. Misschien kan een onderscheid worden gemaakt tussen een brandstofheffing voor de industrie en een heffing op benzine en dieselolie voor het motorverkeer. Want lang niet al de genoemde lasten zijn een direct gevolg van vervuilende activiteiten van ondernemingen. Openbaar vervoer, natuurbehoud, milieu in ontwikkelingslanden en energiebesparing horen niet in het rijtje thuis. Die kosten houden meer verband met de grote bevolkingsdichtheid in ons land en omstandigheden in de Derde Wereld en behoren uit de algemene middelen betaald te worden. En waarom zou een papierfabriek moeten meebetalen aan de oplossing van het mestoverschot?