Man in de pan

Angst en walging beheersen de maaltijd. Eet u mij of zal ik u maar opeten? Alle geboden en verboden waar de beleefde gast zich aan te houden heeft, zijn volgens de inzichten van hedendaagse antropologen te herleiden tot dit ene, diep weggedrongen idee: je zou je ook aan elkaar kunnen vergrijpen, en dat mag niet. Er bestaan levende wezens die je eet, namelijk de dieren, en andere waar je van afblijft, je medemensen. Stel je voor, het eind zou zoek zijn.

Vroeger waren veldwerkers uitentreuren bezig met de vraag of sommige, gelukkig altijd ver weg wonende volkeren nu wel of niet aan kannibalisme deden, en hoe dat in zijn werk ging. Het was ook een onuitputtelijke bron van fascinatie voor het grote publiek: Ach die arme zendelingen - waren gekomen om psalmen te zingen - maar zij gingen, maar zij gingen - in de pan! zongen wij op NCSV-kamp vol leedvermaak. (Latere coupletten zijn voor moderne oren nog schokkender, culminerend in: Maar de blanken overwonnen - stopten de negers in de tonnen - en daarop stond heel naïef: - ”Corned Beef'!)

Men kwam er niet goed uit, uit die vragen omtrent het kannibalisme. Geen enkele westerse reiziger zag ooit een mens een mens eten, met hoe veel klem de informanten ook bleven volhouden dat het pas nog was gebeurd, één dorp verderop, en dat die mensen achter de heuvel het heel vaak deden, en onze overgrootvaders allemaal...

Verveeld keerde men zich allengs af van de onvindbare man-in-de-pan. In het licht van de moderne opvattingen werd het trouwens ook steeds gênanter om andersgekleurde medemensen dit soort gedrag aan te wrijven. Uiteindelijk verscheen in 1979 een beroemd geworden boek waarin de antropoloog Arens de sceptische traditie verwoordde: kannibalisme was waarschijnlijk nooit meer dan sporadisch, of bij dreigende hongerdood in praktijk gebracht. Voor het overige was het een taaie mythe, iets wat men vertelde over anderen en vijanden om duidelijk te maken wat een rare jongens dat waren.

In de jaren zeventig raakte het westerse publiek, belust op sensatie, in de ban van een soort menseneterij die tegelijk veiliger en nog enger was. Het gebeurde namelijk ook dicht bij huis, door mensen zoals u en ik, althans wat betreft hun woonplaats en culturele achtergrond. Overlevenden van scheeps- en vliegtuigrampen, zwaar gestoorde moordenaars aan wier uiterlijk natuurlijk niets te merken was. Er verschenen boeken en films over, in diverse gradaties van bloeddorstigheid.

Dat je een ander mens niet alleen zou kunnen doodmaken - een vrij algemeen verschijnsel immers - maar hem of haar vervolgens ook opeten, blijft duidelijk zo'n prikkelende gedachte dat zij nooit helemaal uit te bannen is. Het is bij voorbeeld ook die gedachte, die de eigenlijke lading geeft aan de christelijke rite van het Laatste Avondmaal. Daar wordt het ultieme, het zwaarste taboe overschreden doordat de deelnemers plechtig samen eten van één lichaam. Dat schept een band.

Maar, zegt de Canadese antropologe Margaret Visser in een onlangs verschenen boek, het Avondmaal is slechts een extreem voorbeeld. In feite moet de wortel van àlle tafelrituelen en -manieren gezocht worden in het verdrijven van elke gedachte aan een algemene slachtpartij. Het kannibalisme zelf was, waar het werd bedreven (volgens haar is Arens' scepticisme weer achterhaald) nooit een chaotische liefhebberij, maar altijd onderdeel van streng gereglementeerde ceremonies. Dat was alleen al nodig omdat geen verwarring mocht ontstaan over de vraag wie er gegeten moest worden en wie niet.

Dood en geweld, en hun metgezel de walging, zijn dus vaste gasten aan iedere eettafel. De eters zijn gewapend, daar begint het al mee. Messen en vorken zijn gemene instrumenten die volgens zorgvuldige regels moeten worden gehanteerd, op een zo weinig mogelijk agressie uitstralende wijze: de scherpe kant van het mes naar je bord toe, nooit wijzen of gebaren met het bestek.

Eten is kapotmaken, vermorzelen, vermoorden. Wie geen vlees eet, eet planten die eens hebben geleefd, die ook verder hadden kunnen groeien. Wie gaat eten ”valt aan'. Alles wat te veel herinnert aan die onderstroom van agressie wordt door de moderne tafelmanieren gedempt of verboden, tot iedere onverwachte handeling (plotseling opstaan, iets geks doen zoals je bord aflikken) toe: mensen zijn, net als dieren, schrikachtig. Een dier dat eet maak je ook niet aan het schrikken.

De afkeer van de meeste mensen van onduidelijke substanties, slijmerige, glibberige of drillerige zaken heeft te maken met angst voor de concrete, rauwe binnenkant van een medeschepsel. En zeker te concreet zijn herkenbare onderdelen van het dier, zoals kippeklauwtjes of het spreekwoordelijke schapeoog dat door attente Arabische gastheren als lekkernij wordt aangeboden. Een schapeoog verschilt veel te weinig van een mensenoog om er zonder weerzin in te happen. Menigeen gruwt van de hele forel die zo nu en dan, gekookt maar met alles er op en er aan, op iemands bord verschijnt. Met het opdienen van een heel hondje - een dier waaraan menselijke eigenschappen, zoals trouw, worden toegeschreven - zouden de grenzen op schokkende wijze worden overschreden.

Zo is dus elke eter een gemankeerde kannibaal, als je maar goed genoeg speurt in de oersoep van driften die in ieder mens borrelt, onder een deksel dat maar niet afdoende wil sluiten. Of het echt waar is, is niet te zeggen. Natuurlijk niet: niets is zomaar waar of niet waar in de menswetenschappen. Maar de gedachte zou een welkome afleiding kunnen zijn, als de stemming aan tafel weer eens om te snijden is.