Lubbers laat hen bungelen

Oud-minister van defensie Vredeling wordt deze weken weer vaak geciteerd. Congressen kopen geen straaljagers, riep hij zestien jaar geleden in de wandelgangen van een tumultueus PvdA-congres. Over twee weken gaat het PvdA-congres nog een stap verder. Dan gaat het over het voortbestaan van het kabinet. Onder het mom van de WAO -en ziektewetplannen van het kabinet spreekt het congres zich uit over de leider van de PvdA, de partij zelf en daarmee uiteraard het kabinet. Kortom over alles. De afdeling Gasselte die oordeelt over Lubbers' toekomst, dat scenario was enkele maanden geleden nog niet voorzien.

Er hangt een wat onwerkelijke sfeer in Den Haag. De Derde dinsdag is in aantocht, maar alle ogen zijn gericht op de vierde zaterdag van september, de dag van het PvdA-congres in Nijmegen. Aandacht voor de begroting is er niet echt. Wat gaat de PvdA doen, is de alles overheersende vraag.

Zal Kok het redden? Zoals het er nu naar uit ziet wel. Het niet eens zijn met de WAO-plannen van het kabinet is één, maar de eigen leider het bos insturen met als bijna zekere consequentie een scheuring in de partij gaat zelfs veel van de partij-afgevaardigden te ver. Maar het wordt spannend. Eénenvijftig procent van de stemmen is voor Kok niet genoeg. Staatssecretaris Ter Veld heeft al gezegd dat het toch zeker zeventig procent moet zijn. Of er straks ook uit overtuiging voor Kok wordt gekozen, schijnt er minder toe te doen. Kok wil niet bungelen heeft hij gezegd. Maar zal hij zich nu werkelijk minder voelen bungelen als het congres straks in meerderheid te kennen geeft achter hem te staan niet omdat men het zo hartgrondig met Koks opvattingen eens is, maar omdat men bevreesd is voor het alternatief. Zou Kok nu werkelijk denken dat hij onder deze omstandigheden de PvdA kan vernieuwen? Het congres zal eerder een bevestiging van zijn bungelend leiderschap zijn.

En zo zit Lubbers voor de derde keer in successie met een bungelende vice-premier. De rol van de vice-premier in zijn eerste kabinet, de VVD-er Van Aardenne was uitgespeeld na de RSV-enquête. Voor zijn opvolger in het tweede kabinet-Lubbers, De Korte was het vice-premierschap een martelgang. Nu Kok dus. Het begint bijna een wetmatigheid te worden: vice-premiers bungelen. Een vast patroon valt er in het afbladderingsproces niet te ontdekken. De Korte kreeg geen millimeter ruimte van Lubbers en het werd hem fataal. Kok krijgt daarentegen alle ruimte om de WAO-plannen te verdedigen maar het resultaat voor zijn positie pakt niet anders uit. In een stelsel waarbij de rol van de minister-president steeds sterker wordt, wordt de positie van de vice-premier bijna automatisch problematischer. Dat plaatst partijen die de vice-premier leveren voor de vraag wie ze voor die functie moeten inzetten. Want inzetten betekent getuige de ontstane praktijk: offeren. Wie de premier levert, kan niet stuk, maar het vice-premierschap is dodelijk.

Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend, maar toch is de combinatie politiek leider annex premier pas geïnstitutionaliseerd in 1971. Biesheuvel die toen premier werd, was tevens politiek leider van de ARP. Zijn voorgangers De Jong, Zijlstra, Cals, Marijnen, De Quay en Beel waren geen van allen politiek leider van hun partij. Drees was dat in 1948 toen hij aantrad als premier aanvankelijk ook niet. Hij verwierf het leiderschap van zijn partij tijdens zijn premierschap; liever gezegd kreeg het opgedrongen. Drees zelf hoefde helemaal niet zonodig, maar partijvoorzitter Vorrink schreef de premier dat de leiding van de partij wel van hem moest uitgaan “om de eenvoudige reden dat jij de minister-president bent”. Vorrink: “Jij hebt het recht en ook de plicht in eerste instantie de koers te bepalen - vanzelfsprekend in overleg met de partijgenoten ministers, de fractie en het partijbestuur”. Wat overigens niet wil zeggen dat Drees zich dat recht ook toeëigende, want in dezelfde brief aan Drees stelde Vorrink: “Ik moet constateren dat we in de afgelopen maanden in toenemende mate ertoe zijn overgegaan een beleid vast te stellen waarvan we je weliswaar zo getrouw mogelijk op de hoogte hebben gehouden, maar waaraan je nauwelijks een wezenlijk aandeel hebt gehad”.

De brief van Vorrink wordt aangehaald in het proefschrift De minister-president, eerste onder gelijken of gelijke onder eersten*, waarop J.P. Rehwinkel in Groningen vandaag is gepromoveerd tot doctor in de rechtsgeleerdheid. In het licht van de actualiteit is vooral het hoofdstuk dat handelt over de relatie tussen de minister-president en zijn politieke partij interessant. Drees had regelmatig contact met het partijbestuur van de PvdA. Hij woonde ruim een derde van alle vergaderingen bij. Den Uyl was als premier zelfs bij meer dan de helft van de partijbestuursvergaderingen aanwezig. Drees koos bij de vergaderingen voor een terughoudende opstelling. Hij wilde niet de indruk wekken als boodschappenjongen te fungeren. Den Uyl was daarentegen het middelpunt van de vergaderingen van het partijbestuur. “Als ware hij in het parlement, zo verdedigde hij ten overstaan van het partijbestuur het kabinetsbeleid”, schrijft Rehwinkel. En als hij het partijbestuur had gehad, wachtte hem (of zijn ministers) in een later stadium nog het congres of de partijraad. Ten tijde van het kabinet-Den Uyl was er sprake van vijftien tot twintig conflicten tussen deze organen en de PvdA-vertegenwoordigers in het kabinet. Het congres bij de PvdA: een dag is het van vreugde, een dag is het van strijd.

Zoals de huidige onrust in de PvdA traditioneel is, ligt bij het CDA de rust geheel in lijn met de cultuur van deze partij. Het komt maar zelden voor dat de premier de vergaderingen van het partijbestuur bijwoont. Nog nooit heeft Lubbers tijdens een discussie in de partijraad geïntervenieerd. Zijn taak is het houden van de afsluitende toespraak waarbij niet zozeer de partijman als wel de staatsman aan het woord is. Wat overigens niet wil zeggen dat Lubbers geheel los van de partij opereert. Maar liever in het campagneteam dan in het partijbestuur. Eén van de conclusies van Rehwinkel is dat er bij het CDA een “monistische tendens” waarneembaar is. “Door het vergrote electorale belang van het premierschap moet het uiteindelijk als heel goed mogelijk worden beschouwd dat - bij een voortbestaan van de wederzijdse afhankelijkheid van de minister-president en de politieke partij - de afhankelijkheid van de partij ten opzichte van de premier steeds meer op de voorgrond zal treden”.

In de praktijk heeft dat er tot nog toe bij het CDA toe geleid dat de partij zich moeiteloos heeft aangepast aan de premier. Wellicht heeft Kok dat beeld voor ogen. Indachtig de woorden van Vorrink aan Drees veertig jaar geleden (“je hebt de plicht de koers te bepalen”) vraagt hij het congres hem te volgen. Maar Kok zou zich dan toch wat meer in het CDA moeten verdiepen. Het gezag van de grote roerganger-leider is tanende sinds hij heeft aangekondigd aan zijn laatste termijn bezig te zijn. De macht verschuift naar Brinkman, de nieuwe man. Er hoeft binnen de PvdA maar even iemand op te staan en zich te manifesteren en het is met Kok gedaan. Simpelweg omdat het op dit moment zou leiden tot het uiteenspatten van de partij, heeft die man of vrouw zich nog niet gemeld. Iedereen wacht af en tot die tijd mag Kok verder bungelen. Maar het touw om zijn nek raakt hij nooit meer kwijt. * J.P. Rehwinkel, De minister-president, Zwolle 1991