Husseins dubbele boodschap in Straatsburg

STRAATSBURG. Slechts de helft van de geachte afgevaardigden nam gisteren de moeite om de koning van Jordanië in een Plechtige Vergadering - zo heet het echt - van het Europese Parlement te begroeten. De parlementariërs hadden ongelijk: zij hebben iets bijzonders gemist. Want nooit eerder presenteerde koning Hussein zich in één en dezelfde redevoering zo openlijk enerzijds als een in-vrome moslim en een vurig Arabisch nationalist en anderzijds als een oude, trouwe vriend van het christelijke Westen, een overtuigde democraat en een zeer sterke leider, een man die tot vrede en tot compromissen bereid is en die niettemin geen milligram van zijn beleden Arabische principes opgeeft.

De reden voor die dubbele boodschap was dat de koning niet alleen het Europese Parlement toesprak, maar via de televisie ook zijn eigen volk dat economisch in een steeds ernstiger situatie belandt en daardoor politiek steeds radicalere wegen dreigt in te slaan. Vandaar dat de koning zowel mr. Hoop was (over de vooruitzichten van de vredesconferentie) als mr. Vrees (voor het toenemende radicalisme in zijn land en in de rest van de Arabische wereld), dat hij één en al vredesboodschap was, maar ook een rots van Principiële Fermheid (tegen annexatie van veroverde gebieden, zowel door Israel als door Irak, maar met nog steeds volledig begrip voor de redenen die Irak ertoe "dwongen' Koeweit te veroveren).

Er was nog een tweede reden voor de dubbele boodschap. De koning deelde mee dat de Palestijnen het best zichzelf kunnen vertegenwoordigen op de aanstaande vredesconferentie en dat Jordanië dat altijd heeft gewild. Maar hij noemde de PLO geen enkele keer bij name als de vertegenwoordigster van de Palestijnen en later op een persconferentie ontweek hij uiterst behendig de vraag of de Palestijnen zelfbeschikkingsrecht, dat wil zeggen een eigen staat, dienen te krijgen. Aan het Europese Parlement deelde hij mee dat Jordanië bereid is als paraplu voor de Palestijnen op te treden, indien dezen dat willen, “terwijl Jordanië op de vredesconferentie zijn eigen directe verantwoordelijkheden uitoefent”.

Met andere woorden: indien de PLO bereid is zich op de vredesconferentie onzichtbaar te maken door naar de Jordaanse delegatie niet-leden van de PLO te sturen, Palestijnen uit de bezette gebieden of de diaspora, is dat wat koning Hussein betreft okay. Is de PLO daartoe niet bereid, dan is dat voor Hussein eveneens okay en komt hij zonder de Palestijnen naar de conferentie. Hij moet wel, omdat niet alleen Amerika, Egypte en Saoedi-Arabië dat willen, maar ook Syrië. Deelname aan de vredesconferentie zonder de Palestijnen zou hem in eigen land, waar de meerderheid uit Palestijnen bestaat en waar het moslim-fundamentalisme in snel tempo oprukt, ernstige problemen kunnen opleveren. Toch moet hij die stap doen omdat hij anders economisch gemangeld wordt. Vandaar dat hij gisteren optrad als de grote voorvechter van de Palestijnse rechten, de Arabische natie, van de islam en van de vrede - een uiterst ingewikkeld rollenspel.

De koning begon zijn redevoering zoals de president van Irak dat doet: “In naam van God, die genadig en vol erbarmen is”, en hij sloot haar af met de even gebruikelijke frase: “Moge vrede met u zijn, alsmede Gods zegen en genade”. Hij legde uit dat Jordanië “een van de staten is van het in stukken gebroken Arabische geboorteland, eens de droom van alle Arabieren dat het hun in vrijheid verenigd huis zou zijn ....” en hij eindigde ermee dat hij al sinds meer dan 38 jaar als grondwettelijk koning zijn volk dient. “In al die jaren heb ik niemand gevreesd dan God, tot wie ik nederig bid dat, als ik niet lang genoeg leef om de dag te zien waarop ik de ware trots en vreugde kan beleven van een toespraak tot een pan-Arabisch parlement naar model van het Europese Parlement, dat de volkeren en de regeringen vertegenwoordigt van een Arabische gemeenschap die op soortgelijke wijze is samengesteld, een ander de ervaring van zo'n trots moment mag meemaken. Ik zal er onvermoeibaar naar streven deze langgekoesterde droom tot werkelijkheid te brengen, zolang ik leef.”

Uitspraken waarvan zijn onderdanen misschien tranen in de ogen krijgen, maar waaraan het Europese Parlement geen boodschap heeft. Vandaar dat de koning de nadruk legde op de politiek en geografisch centrale positie van zijn land - “het land van hen die moedig, principieel en vol mededogen zijn” - en van zijn inwoners - “die bekend staan als opvoeders, bouwers, vernieuwers en beschermers van de veiligheid en de stabiliteit in de Arabische wereld”. Een droomland kortom, want in de woorden van zijn koning: “ ... toevluchtsoord voor de vervolgden, een compromisloze uitdager van de krachten van terreur en duisternis, en van hen die zonder moraal zijn, naar macht streven en gebruikmaken van menselijke ellende en wanhoop”.

Het was de inleiding voor een (niet expliciet uitgesproken) verzoek om geld. Jordanië bevindt zich in een dramatische economische neergang en de koning aarzelde niet om die uitvoerig te schilderen. Want het land wordt niet alleen voor de derde maal in zijn geschiedenis geconfronteerd met een vluchtelingenprobleem van enorme omvang maar heeft ook, zoals de koning het stelde, “te lijden onder stijgende, onverklaarbare druk van vele kanten”.

De vluchtelingen, zowel Palestijnen als Jordaniërs, komen uit Koeweit en de andere Golfstaten, waar zij niet langer mogen wonen en werken en waar “sommigen boosaardige en onmenselijke mishandelingen ondergingen”. Het zijn er nu tweehonderdendertigduizend op een totale Jordaanse bevolking van 3,4 miljoen en het worden er naar verwachting tegen het eind van het jaar driehonderdduizend. Bovendien zijn er, zo meldde de koning, tienduizenden mensen uit Irak naar Jordanië gekomen, gevlucht voor de steeds grotere misère in dat land. Door die toename van de bevolking is het werkloosheidspercentage opgelopen tot tweeëndertig procent, terwijl van de nieuwkomers drieëntachtig procent werkloos is. Zij teren nu nog op hun spaarcenten, maar als die op zijn moet de Jordaanse staat voor hen zorgen - een onmogelijke opgave. Volgens een recent onderzoek is vierenveertig procent van de naar Jordanië gerepatrieerden onder de dertien jaar, waardoor het onderwijssysteem uit zijn voegen barst: het moet eind december dertien procent meer leerlingen opnemen.

Voordat al die mensen binnenstroomden, had Jordanië al ernstige economische problemen. Het land droeg “gedurende elke fase van het voortdurende Palestijnse lijden de grootste last”. Met deze woorden opende de koning de aanval op de andere Arabische leiders. Met uitzondering van Saoedi-Arabië hadden zij zich niet aan hun financiële verplichtingen tegenover Jordanië gehouden, die zij op de Arabische topconferentie van 1978 waren overeengekomen. Het directe gevolg was dat de Jordaanse nationale schuld toenam en het land in 1989 voor een economische ramp stond. En sinds het uitbreken van de Golfcrisis heeft Jordanië helemaal geen Arabische hulp meer gehad. Jordanië was, zo vertelde koning Hussein, één van de tien landen waar de afgelopen twintig jaar de kindersterfte het meest was gedaald, waar het analfabetisme daadwerkelijk was bestreden en waar betere gezondheidszorg was en meer schoon water dan elders in de onwikkelingslanden.

Al die vooruitgang wordt nu bedreigd door de VN-sancties tegen Irak, die met name Aqaba treffen, de enige haven van Jordanië. Meer dan vierhonderd schepen van en naar Aqaba werden van 6 augustus vorig jaar tot vorige week onderschept, vertraagd, teruggestuurd of naar andere havens gedirigeerd. Daarnaast is de Jordaanse export van land- en mijnbouwprodukten en van industriële goederen ernstig aangetast. De Jordaanse luchtvloot moest tijdens de Golfcrisis als gevolg van de sterk gestegen verzekeringspremies aan de grond blijven of naar Europa uitwijken, waardoor de Jordaanse luchtvaartmaatschappij geen geld meer verdiende. Als gevolg hiervan zullen de op krediet geleverde Airbussen van de luchtvaartmaatschappij binnenkort door de verkopers worden teruggehaald en verliest Jordanië behalve de toestellen ook nog eens de reeds voldane aanbetalingen. De conclusie van de koning luidde dan ook: “Geen ander buurland van Irak is op een zodanige manier behandeld”. Hij zei natuurlijk niet dat geen ander land tijdens de Golfcrisis zoveel steun, inclusief militaire goederen, aan Irak heeft gegeven.

De koning haalde wèl uit naar Egypte, zonder dat land met name te noemen. Hij vertelde dat hij zich onvermoeibaar had ingezet voor een vreedzame politieke oplossing van het Iraaks-Koeweitse conflict. Jordanië was tegen de invasie en de bezetting van Koeweit en het had geprobeerd om de oorzaken op te lossen die tot die invasie hadden geleid. Daarover had Jordanië vorige maand een "Witboek' gepubliceerd, “dat heel precies en chronologisch de feiten had weergegeven ..... Verdrietig genoeg kozen sommigen, om wat voor reden dan ook, vanaf het begin met grote energie ervoor om een verwrongen versie van de waarheid op te dissen. Wij hebben echter de waarheid aan onze kant, alsmede een gedrag dat wegens zijn principiële politiek, zijn eer, zijn morele integriteit en zijn moed de toets van de tijd heeft doorstaan.”

Met deze opmerkingen wreef de koning - uiteraard ten behoeve van zijn genietende onderdanen - nieuw zout in Egyptische wonden. President Mubarak is woedend over het onlangs verschenen Jordaanse "Witboek', dat de Egyptische rol in het Golfconflict buitengewoon negatief beoordeelt. Zowel de Egyptische diplomaten als de Egyptische media begonnen meteen daarop een frontaal offensief tegen de koning. Het Egyptische ochtendblad Al Akbar betitelde Hussein als één van die “Arabische slangen die onlangs uit hun holen zijn geglibberd waarin zij zich hadden verstopt, in de hoop dat de tijd een dikke sluier zou trekken over hun schadelijke daden die tragedies over de hele Arabische Natie hebben gebracht ...” Volgens de krant had Mubarak diverse aanvragen van Hussein voor een bezoek aan Kairo afgeslagen “die bedoeld waren om voor de lenzen van de fotografen Mubarak te omhelzen en zo zijn reputatie te herwinnen, die door zijn smerige verleden en zijn immorele standpunten tot op een dieptepunt was gedaald”. De Arabische Liga werd er door de Egyptische vertegenwoordiger officieel van in kennis gesteld dat Jordanië “zich van naakte leugens bedient”. En Mubarak zelf liet weten dat de betrekkingen met Jordanië nog niet zo goed zijn omdat koning Hussein het onder vier ogen met Egypte eens is en in het openbaar Egypte aanvalt. De Jordaanse kranten reageerden niet minder scherp en klaagden Egyptes “verachtelijke rol” in de Golfcrisis aan, die hoognodig in een "Zwartboek' vermeld moest worden.

Voor het Europese Parlement - in het openbaar dus - legde de koning uit wat de oorzaken van zoveel conflicten in het Midden-Oosten zijn: “De volkeren in onze regio zullen eenvoudigweg niet blijven accepteren dat zij niet als gelijken met alle andere behandeld worden. Zij zullen niet lang meer tolereren dat hun land de belangrijkste energiebronnen heeft voor de ontwikkeling van deze wereld en dat zij in ruil daarvoor alleen maar datgene terugkrijgen wat zij zien als voortdurende minachting, vernedering en ontkenning van hun nationale rechten en hun mensenrecht”. Impliciet herhaalde de koning daarmee wat de medestanders van Saddam Hussein tijdens de Golfcrisis voortdurend hadden gesteld: dat de olierijkdommen in de Golfstaten rechtens toekomen aan de hele Arabische Natie.

Niet minder opmerkelijk was de manier waarop Hussein zichzelf als Gids van de Democratie presenteerde: “Het was mijn trotse beslissing om Jordanië opnieuw democratisch te maken”, zei hij, zonder te vermelden wanneer het land vroeger democratisch was geweest. “Ik ben er trots op dat ik er in mijn hele politieke leven in ben geslaagd Jordanië weg te leiden van het gevaar van autocratisch bestuur of van een één partijsysteem en de politisering van de strijdkrachten en de veiligheidsdiensten. Ik ben er trots op dat ik mijn mannelijke en vrouwelijke landgenoten in staat heb gesteld om zich in gelijkheid naar de democratie te bewegen”.

Zijn woorden waren in overeenstemming met de begroeting van de voorzitter van het Europese Parlement, Baron. Hij roemde de moed en het diplomatieke talent die de koning onder andere tijdens de jongste Golfoorlog had gemanifesteerd.