Geknoei met slachtvee duurt voort; Gebruik van verboden groeibevorderaars moeilijk op te sporen

ROTTERDAM, 12 SEPT. Wie met vlees slechte dingen wil uithalen, kan vrijwel ongemerkt en dus ook ongestraft zijn gang gaan. Opsporing van ongerechtigheden door laboratoria loopt achter op de gewiekstheid van de knoeiers. Die weten bijvoorbeeld precies waar ze hormonen moeten spuiten: in die lichaamsdelen, die bij de slacht toch worden weggegooid. Of ze weten op de dag af nauwkeurig hoe lang ze groeibevorderaars kunnen gebruiken om geen sporen achter te laten, zodat er bij controle niets meer van is terug te vinden.

Dat vorig jaar - zoals blijkt uit een opgave van de veterinaire inspectie van WVC - bij de toen bijna 1 miljoen geslachte kalveren er slechts 15 werden aangetroffen met resten van groeibevorderaars als hormonen en het hoestmiddel glenbuterol, zegt dan ook vermoedelijk meer over de ontoereikendheid van de opsporingsmethoden dan over het voorbeeldig gedrag van een deel van de kalvermesters en hun bedienaren.

Uit cijfers van het eerste kwartaal van dit jaar blijkt dat het aantal met verboden middelen bewerkte kalveren aanmerkelijk groter is. Dat komt, zoals J. Goebbels van de veterinaire inspectie van WVC zegt, óf doordat keurders in de slachthuizen vorig jaar "hebben zitten slapen' óf omdat men in het eerste kwartaal van dit jaar op een paar grote koppels (groepen van gemeste kalveren, die kunnen uiteenlopen van 50 tot 200 stuks) stuitte die "positief' bleken. Het blijven dus kennelijk toevalstreffers.

Het geknoei voor een snellere groei en meer vlees is al lang een onderwerp van zorg. De vraag, die men zich steeds stelt is of met groeibevorderaars bewerkt vlees schadelijk is voor de consument. Dat zou volgens deskundigen, onder wie dr. R. W. Stephany van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne, wel meevallen.

Een veel interessantere vraag is of knoeiende veeboeren er óók niet voor terugdeinzen om middelen te gebruiken, die wél levensgevaarlijk zijn. (Een andere vraag is of er in de bedrijfstak niet meer zaken zijn geslopen, die niks meer te maken hebben met liefde voor het dier: kistkalveren, enge behuizing, roosters waar de beesten zich de poten op stuk lopen, kettingzeugen.)

Aan de integriteit van de malafide aanmakers, voorschrijvers (veeartsen) en gebruikers (mesters en veevoederindustrie) kan men twijfelen: geldelijk gewin (een winst van 75 tot 100 gulden per kalf) en liefde voor de eigen portemonnee lijkt de enige drijfveer. Veeartsen met een eigen apotheek, die het niet zo nauw nemen, pikken op hun beurt hún graantje mee.

Al sinds de jaren zestig verschijnen er berichten over het toedienen van synthetische hormonen, zoals diethylstilboestrol (DES), dat bij veelvuldige consumptie kankerverwekkend zou zijn. Nederland had in die tijd de neiging vooral met het beschuldigende vingertje naar België te wijzen, waar inderdaad veel met die spullen werd en wordt gewerkt en waar het op veemarkten vrij te koop is.

Eind van de jaren tachtig dook het hoestmiddel clenbuterol als groeibevorderaar op. Eind vorige week zorgden 300 ambtenaren van opsporende instanties voor een nieuw hoofdstuk in het vervolgverhaal, toen ze een keten van makers, distributeurs en gebruikers van groeibevorderaars op het spoor dachten te zijn gekomen. De directeur van de farmaceutische fabriek Dopharma in Raamsdonskveer is gearresteerd. In Utrecht werd een laboratorium gevonden, waarin kennelijk op grote schaal synthetische hormoonpreparaten werden gemaakt. Politie en justitie menen dat er banden bestaan tussen het laboratorium en Dopharma en dat er sprake is van een internationaal netwerk. Dat bij Dopharma 4,5 liter zuivere clenbuterol, een geregistreerd en dus toegestaan hoestmiddel, werd gevonden, zegt op zichzelf niks over de vraag of het bedrijf het middel verkocht als groeibevorderaar. Maar in eerdere uitlatingen ook in deze krant, maakte de directeur er geen geheim van dat hij clenbuterol opzettelijk verkocht als groeimiddel. Op de etiketten werd zelfs de dosering geplaatst, waarbij de beste resultaten konden worden bereikt. Later, toen clenbuterol in de EG en in Nederland als groeibevorderaar werd verboden, is enige keren geprobeerd het bedrijf te vonnissen, maar dat bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het Bossche gerechtshof heeft de zaak in hoger beroep nog altijd in onderzoek.

Inmiddels heeft de bedrijfstak zichzelf via de stichting kwaliteitscontrole vleeskalveren aan eigen criteria onderworpen. De stichting zegt korte metten te willen gaan maken op het moment dat er beesten worden aangetroffen, die ontoelaatbaar bewerkt zijn: die worden onverwijld vernietigd.

Uitgangspunt is dat clenbuterol wordt aangemerkt te zijn gebruikt als groeibevorderaar als het in de tweede helft van een kalfsleven, dat gemiddeld 28 weken is, is toegediend. Maar om er achter te komen of het inderdaad is toegediend, zijn zeer verfijnde en dus dure onderzoeksmethoden nodig. Dat weten de gebruikers maar al te goed.

Het dramatische gevolg van een strenger opsporingsbeleid, dat bevestigt ook Goebbels, is dat degenen, die middelen menen te hebben die de groei bevorderen, zich nog sneller terugtrekken in het zwarte circuit. Mede op grond daarvan werd destijds in de Verenigde Staten het gebruik toegestaan van natuurlijke hormonen. Dat werd toegediend via de oren, die na het slachten worden weggegooid. Zo wist men in ieder geval, zo werd gesteld, welke hormoonpreparaten worden gebruikt. In dat land ontstond daarom des te grotere opschudding, toen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onlangs besloot dat ook het gebruik van natuurlijke hormonen verboden is. In Nederland is dat al sinds 1964 het geval.

Bij het verbieden van een middel als clenbuterol kan Nederland niet alleen optreden. Dat zou vervalsing betekenen van de concurrentiepositie, zo wordt in de branche gezegd.

“Het zou bovendien willekeurig zijn als de overheid zo maar alles zou gaan verbieden omdat er wellicht misbruik van kan worden gemaakt. Glenbuterol bijvoorbeeld wordt immers ook toegepast in de humane geneeskunde onder meer tegen aandoening van de luchtwegen”, zegt Goebbels. En is dus altijd wel ergens te krijgen.

Het bedrijfsleven wekt na de nieuwe golf van publikaties de indruk geschokt te zijn. De goede naam van de Nederlandse kalvermester zou opnieuw in diskrediet zijn gebracht. Het produktschap voor Vee en Vlees liet gisteren weten te hopen dat de schuldigen hun terechte straf niet zullen ontlopen. De Vereniging van Fabrikanten en Importeurs van Diergeneesmiddelen, de Fidin, juicht "krachtig optreden tegen dit soort illegale activiteiten' toe. Maar voordat het zo ver is, zullen de Algemene Inspectiedienst (AID) en justitie nog heel wat werk moeten verzetten om de veronderstelde plegers van de misdrijven door een rechter veroordeeld te krijgen. En de malafiden zijn vindingrijk genoeg om weer andere middelen te ontdekken, die dezelfde en misschien nog wel grotere effecten hebben. Het verhaal van de groeibevorderaars lijkt er dan ook een zonder einde.