Educatieve Faculteiten ongewenst

Niet alleen in Nederland, ook in enkele andere EG-landen leiden de lerarenopleidingen aan zware bloedarmoede. Hun aantrekkingskracht en aanzien zijn laag. Onlangs werd aan de Universiteit van Antwerpen met subsidie van de EG een driedaags internationaal symposium over de kwaliteit en de status van het leraarschap in Europa georganiseerd. Het bleek dat in Frankrijk, Nederland, Engeland, Griekenland, België en Spanje de klad in de status van het leraarschap zit, waardoor veel minder studenten dan voorheen opteren voor een lerarenopleiding en de kwaliteit van de gegadigden afneemt.

Het betreft hierbij vooral, maar zeker niet alleen, de opleiding tot onderwijzer. Om diens status op te vijzelen heeft Engeland al geruime tijd geleden de studieduur verlengd en besloten afgestudeerde onderwijzers een titel te verlenen, gegarandeerd door een samenwerkende universiteit. Frankrijk heeft recentelijk besloten om in één massale operatie de opleiding tot onderwijzer en die tot leraar in de onderbouw bij de eerstegraads opleiding aan de universiteit te voegen, in de hoop het leraarschap zo meer aanzien te geven en de kwaliteit van de studentenstroom te verhogen. Italië doet hetzelfde en Spanje probeert iets dergelijks. In landen als Noorwegen, Schotland en Ierland, waar traditioneel hoge eisen aan onderwijzers en leraren worden gesteld en waar de selectie voor het beroep hoog is, kampen de opleidingen niet of nauwelijks met problemen.

Er wordt dus alom in Europa toegewerkt naar een statusverhoging van het leraarschap en daarmee naar een grotere aantrekkelijkheid van de lerarenopleiding voor potentiële studenten. In eerste instantie wordt daarbij gedacht aan het onderbrengen van de opleiding bij een universiteit. In de tweede plaats aan het verbeteren van opleiding en nascholing en aan het begeleiden van beginnende leraren en onderwijzers. Vooral dit laatste aspect is bijvoorbeeld bij onze oosterburen heel wat beter geregeld dan in Nederland. Het was pijnlijk in Antwerpen te moeten horen hoe ons land op dit punt als ongunstig voorbeeld werd genoemd. De beginnende Nederlandse leraar moet het allemaal zelf maar uitzoeken. Zoiets bevordert het aanzien van een beroep niet bepaald.

Voor internationale samenwerking en de herkenbaarheid van diploma's, een heikel punt in een Europa dat probeert zich te ontdoen van allerlei grensbelemmeringen, valt het natuurlijk aan te bevelen om althans de plaats waar leraren worden opgeleid herkenbaar te maken. Nu bestaat er sinds jaar en dag in de meeste EG-landen een splitsing tussen de opleiding tot onderwijzer en leraar onderbouw enerzijds en leraar bovenbouw anderzijds. De laatste wordt doorgaans op een universiteit gevormd, meestal na afloop van een academische vakstudie.

Een groot aantal landen in Europa lijkt nu dus de lerarenopleiding van basisschool tot en met de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs bij de universiteit onder te gaan brengen. Zoiets ontwikkelt zich behalve in Spanje, Italië en Frankrijk ook in Ierland. Wanneer deze operatie wegens de geringe belangstelling van universitaire vakgroepen voor de lerarenopleiding moeilijk blijkt, komt vanzelf de gedachte op om de bestaande lerarenopleidingen de status van universiteit te verlenen. Dat staat te gebeuren in Engeland en gebeurt al geruime tijd in Duitsland, waar sinds het begin van de zeventiger jaren een aantal Pedagogische Hochschulen zijn omgebouwd tot universiteiten.

Waarom zou zoiets niet in Nederland kunnen? Een van de coryfeeën van het Antwerpse symposium, de internationaal bekende onderwijskundige Sir William Taylor, liet zich ontvallen dat de kwaliteit van de lerarenopleiding in Nederland ongetwijfeld de universitaire status verdiende, zeker in vergelijking met sommige andere landen waar de opleiding al integraal deel van het takenpakket van de universiteit uitmaakt.

We zouden met het verlenen van die status aan onze hogescholen heel wat beter in de Europese pas lopen dan met onze plannen de lerarenopleidingen op termijn onder te brengen in zogenaamde, van universiteit of hogeschool onafhankelijke Educatieve Faculteiten, waarvan het ons omringende buitenland maar moet afwachten wat ze voorstellen. Voor deze plannen kon men in Antwerpen begrijpelijkerwijs maar weinig enthousiasme en nog minder begrip opbrengen. Het creëren van Educatieve Faculteiten als oplossing van historisch gegroeide problemen, zoals de noodlijdende universitaire lerarenopleiding en de heel eigen, dure verzorgingsstructuur van het onderwijs, zal niet bijdragen tot een vlotte (h)erkenning van diploma's door scholen in onze EG-partnerlanden als een in Nederland afgestudeerde leraar of onderwijzer daar aan het werk wil.

Dit kan toch niet de bedoeling zijn achter de aandacht die het ministerie van onderwijs door de organisatie in oktober van een internationale conferentie over het leraarschap, zo nadrukkelijk aan het beroep geeft? Ieder land heeft recht op zijn eigen onderwijscultuur en op een eigen planning van de toekomst. Maar zou het niet goed zijn om ons te realiseren dat we, ook onderwijskundig, niet meer op een eiland zitten, en om bij de oplossing van onze problemen nadrukkelijker dan nu over de grens te kijken? Een ombouw van hogescholen tot universiteiten, met overheveling van de huidige eerstegraads lerarenopleiding naar deze instellingen, is een veel betere oplossing dan die van Educatieve Faculteiten. Het onderwijskundige onderzoek krijgt zo een groter draagvlak en een sterkere binding met het volledige onderwijsveld. Bovendien kan de vooral praktische know-how van de tweedegraads opleidingen een rol gaan spelen bij de eerstegraads opleiding. Deze oplossing strookt tenslotte tevens, en dat is niet onbelangrijk, met de Europese ontwikkelingen om ons heen.