De vleesberg

Taking Stock: Animal farming and the environment. Worldwatch paper 103, juli 1991. ISBN 1-878071-04-1. Verkrijgbaar bij Milieuboek, Plantage Middenlaan 2-H, Amsterdam, ƒ 13,50.

Vleeseters hebben een bord voor hun kop. Dat is de conclusie die zich opdringt na het lezen van Taking Stock, Animal Farming and the Environment, de nieuwste Paper van het Amerikaanse Worldwatch Institute. Het boekje schetst de ecologische rampspoed die voortvloeit uit de veeteelt zoals die in de wereld wordt bedreven. De barre woestenij in de wijde omtrek van de 3500 putten, speciaal voor de veehouders geslagen op de Toerkmeense steppen. De verzuurde, verpieterde natuurreservaten in Zuid- en Oost-Nederland (in het boekje prominent aanwezig). De verschroeide regenwouden van Costa Rica, ooit onderdak van unieke plant- en diersoorten. Het snel dalende grondwaterpeil in Texas. Allemaal voorbeelden van ontluistering , zeggen de schrijvers, die te wijten is aan de moderne veeteeltindustrie.

Waar in India maar 2 kilo vlees per hoofd van de bevolking per jaar wordt gegeten, consumeert de gemiddelde Amerikaan jaarlijks in zijn eentje 120 kilo, meer dan 2 kilo per week. 70 procent van de Amerikaanse graanoogst wordt aan het vee gevoerd. Wereldwijd verdwijnt 38 procent van de oogsten (vooral mais, gerst, sorghum en haver) in de magen van het vee, ten zuiden van de Sahel is dat nog geen twee procent.

Wie alles op een rijtje zet ontdekt dat de moderne veeteelt een energieslurper bij uitstek is. Voor elke kilo varkensvlees in de VS zijn naar schatting 30.000 kilocaloriën nodig, het equivalent van vier liter benzine. Daarnaast is er 190 liter benzine per jaar nodig om de gemiddelde Amerikaanse consument van red meat en kip te voorzien.

De veehouderij vreet trouwens niet aleen energie, maar ook water. De helft van de Amerikaanse runderen graast op gerrigeerd land en ook de velden waar het veevoer wordt verbouwd, vragen om bevloeiing. In rundveecentra als Colorado, Kansas, Nebraska en Texas is voor iedere kilo rundvlees 3000 liter water nodig, kostbaar grondwater dat vroeg of laat een keer uitgeput raakt.

Oorspronkelijk stond de veeteelt vrijwel overal ter wereld in dienst van de landbouw. Trekdieren werden voor de ploeg gespannen, graasden op "woeste gronden' en leverden mest om de bodemvruchtbaarheid van de akkers op peil te houden. Pas de afgelopen vijftig jaar, toen de graanoogsten almaar bleven stijgen, is de gespecialiseerde vlees-, zuivel- en eierproduktie van de grond gekomen. De aarde herbergt nu driemaal zoveel landbouwhuisdieren als menselijke bewoners.

In Taking Stock wordt aangetoond dat de omvang van de grazende kudden de draagkracht van de aarde te boven gaat. In veel streken laten veehouders hun dieren bij voorkeur op - zwaar gesubsidieerde - gemeenschappelijke weidegronden grazen, terwijl ze hun eigen land zoveel mogelijk in reserve houden. Volgens de Amerikaanse Landinrichtingsdienst is nog maar eenderde van de openbare weidegronden in goede conditie, meer dan de helft is door erosie ernstig aangetast. In Australië, in Zuid-Afrika, in de Sahel, steeds gaan veeteelt en verwoestijning hand in hand. Volgens de FAO heeft in Centraal-Amerika sinds de vroege jaren zestig een derde van de oorspronkelijke bossen plaats gemaakt voor weiden - die vaak binnen enkele jaren uitgeput en verlaten zijn. En tenslotte levert ook het methaan dat al die herkauwers tezamen oprispen een forse bijdrage aan het broeikaseffect.

Kern van het betoog van het Worldwatch Instituut is dat het uit balans raken van landbouw en veeteelt vaak veroorzaakt wordt door allerlei overheidssubsidies op ecologisch onverantwoorde methoden om veevoer te produceren en dieren te houden. Dat geldt in China, in de EG en de VS. In Afrika heeft de groeiende produktie van veevoer tot gevolg dat traditionele herdersvolkeren op een steeds kleiner gebied worden teruggedrongen. Zo moesten de Tanzaniaanse herders van de Barabaig stam wijken voor een gemechaniseerde tarweboerderij van 40.000 hectare. In Tunesië drijft het oprukkende groene front de nomaden steeds verder naar het zuiden, waar ernstige winderosie het land onbruikbaar maakt. In Latijns-Amerika, waar veehouders sinds 1970 al 20 miljoen hectare bos hebben ontgonnen, leiden de economische chaos en het slecht doordachte landinrichtingsbeleid ertoe dat particuliere investeerders nog steeds grote hoeveelheden regenwoud rooien om er weidegrond van te maken. En in Zuid-Oost Azië hebben nationale wetten de traditionele dorpstradities om weidegronden te beheren ondermijnd.

Des te wranger is het dat al dat vlees lang niet zo goed voor u is als de reclame wil doen geloven. Overmatige consumptie van dierlijke produkten (doorgaans met een flink gehalte aan verzadigde vetzuren) draagt bij tot hartkwalen, dikke darmkanker en andere welvaartsziekten.

Zolang de wereldbevolking blijft groeien, ontwikkelingsprojekten onevenwichtig van opzet zijn en ecologische verliezen niet in het bruto nationaal produkt worden verrekend valt er weinig verandering te verwachten. In veel ontwikkelingslanden gaat de groeiende nadruk op vleesproduktie voor de welgestelden ten koste van de voedselvoorziening van de allerarmsten.

Veranderd zijn wèl de officiële voedingsadviezen, althans in ons land. Meer groenten, fruit en vezels is het devies. In de VS echter werd in mei van dit jaar een nieuwe "Schijf van vijf' van diezelfde strekking op het laatste moment weer ingetrokken onder druk van de veeteeltbusiness. Maar in Engeland leven inmiddels 6 miljoen mensen grotendeels en 2 miljoen consequent vegetarisch. Op den duur wordt vlees eten, net als roken, een lower class gewoonte.