De toekomst van de derde persoon meervoud; Hun, hen, ze of zij

Op 16 oktober 1990 verscheen van A. de Boer in deze krant "Notoire hennen gehinderd door P.C. Hooft'. De Boer constateerde de verhenning van het Nederlands en maakte zich vooral zorgen over het gemis aan respect van hen-zeggers jegens taalgebruikers die nog wel het traditionele verschil tussen hen en hun kunnen maken. Intussen is een jaar voorbijgegaan, waarin enkele onderzoekers zich over het probleem van de derde persoon meervoud gebogen hebben.

J. de Rooij, Over hun en hen, en hun. In Taal en Tongval 42 (1990), 2, 107-147.

"Hebben zij hen hun voorgesteld?' Deze vraag werd ooit gesteld door iemand die de volgende zin niet goed verstaan had: "De Commissarissen der Koningin (onderwerp) hebben de ministers (meewerkend voorwerp) de burgemeesters (lijdend voorwerp) voorgesteld.'

Naast zij, hun en hen bestaan er ook onbeklemtoonde varianten. Inmiddels is in de spreektaal ze - naast onderwerp - alom geaccepteerd als vorm voor meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp. Had de vragensteller terloopser willen formuleren, dan was dus ook mogelijk geweest: ""Hebben ze ze ze voorgesteld?.'' Het lijkt stotteren, maar het is een goede zin. Zulke vragen horen we echter niet zo vaak. Dat komt door twee ontwikkelingen. In plaats van zij horen we steeds meer hun, en hen en hun worden zoals de formulering luidt "door elkaar gehaald'. Bijgevolg zijn er in de standaardtaal van nu veel varianten van de vraag denkbaar, tot aan "Hebben hun hun hun voorgesteld?' toe.

Waar komen die varianten van de derde persoon meervoud vandaan? En welke worden door de taalgemeenschap geaccepteerd?

Van Heule

De eerste vraag wordt uitvoerig beantwoord door J. de Rooij *. Hij maakt duidelijk dat een algemeen antwoord niet mogelijk is. Er is sprake van twee afzonderlijke ontwikkelingen. Het onderscheid tussen hen (vierde naamval) en hun (derde naamval) werd in 1625 uitgevonden door de grammaticus Van Heule. De vormen hun en hen bestonden toen al geruime tijd, maar alleen als klankvarianten. Ze werden zonder betekenisverschil door elkaar gebruikt voor het meewerkend voorwerp en het lijdend voorwerp.

Wat was de achtergrond van Van Heules voorstel? Wie over zijn taal nadenkt, zal merken dat op alle niveaus varianten voorkomen: twee vormen om ongeveer hetzelfde uit te drukken. Het bestaan van zulke varianten wordt onbevredigender naarmate het lastiger is om het betekenisverschil ertussen aan te geven. Een eerste uitweg is dan te proberen om een van de twee vormen uit de standaardtaal te verbannen door hem archaïsch (b.v. welks), dialect (hullie) of kinderlijk (ikke) te noemen.

Een tweede uitweg is het te subtiele betekenisverschil tussen de varianten aan te scherpen door de overlappende aspecten van de betekenis af te keuren of te ontkennen. Zo wordt de betekenis van omdat en niet het minst wel eens geamputeerd om een fraaie tegenstelling met doordat en niet in het minst te bereiken. Een voorstel in deze lijn zou in ons geval geweest zijn: gebruik hen voor familie en kennissen en hun voor alle anderen.

Van Heule en andere taalbouwers kozen voor een derde uitweg. Ze koppelden de minimaal verschillende vormen aan verschillende syntactische functies ofwel rollen in de zin. Ze werden op dit idee gebracht omdat ze een andere taal als model voor onze standaardtaal hanteerden, het Latijn, dat ze om zijn naamvallen benijdden. Tijdgenoten van Van Heule deden overigens concurrerende voorstellen om het vormverschil tussen hen en hun "nuttig te maken', maar die hebben het nooit gehaald, waarschijnlijk omdat gezaghebbende schrijvers als Hooft en Vondel Van Heules onderscheid overnamen.

Met deze koppeling van vormen aan syntactische functies gingen de taalbouwers een brug te ver. Niet zozeer omdat taal zich zo moeilijk zou laten dwingen. Dat romantische idee klopt niet. Standaardtaalgebruikers staan voortdurend bloot aan correctie en andere vormen van dwang. Leraren verdienen er hun brood mee, rechters leggen definities op, op elke straathoek wordt ons voorgehouden dat een Raider voortaan Twix heet en als mijn kinderen priet en sliet zeggen, roep ik: "praatte, sloeg'. In al deze gevallen wordt voorgesteld een vorm in alle omstandigheden te vervangen door een andere.

Het onderscheid tussen hen en hun is zo lastig omdat het verschil tussen meewerkend en lijdend voorwerp te abstract en intern-talig is: we kunnen het niet koppelen aan eigenschappen van de personen naar wie we met hun en hen verwijzen. Het is wel mogelijk dergelijke intern-talige categorieën onder de knie te krijgen, maar dat moet dan óf tijdens de eerste taalverwerving (van het tweede tot het zesde jaar) óf gedurende een intensieve langdurige studie van een tweede taal gebeuren.

De omstandigheden waarin we het hun-hen-onderscheid leren, voldoen aan geen van de twee voorwaarden: als men het al probeert aan te leren, dan gebeurt dat vrij onsystematisch (met ezelsbruggetjes als: ""Als je er aan of voor voor kunt zetten, moet het hun zijn, anders hen'') en laat (op de middelbare school), dus na de periode waarin we onze spreektaal tot in de finesses leren beheersen. Geen wonder dat de reikwijdte van het voorschrift altijd tot de formele schrijftaal beperkt is gebleven.

Hun als onderwerp

Hun als onderwerp is een verandering van een heel ander kaliber. Het is een tamelijk nieuwe vorm. Hun hebben wordt voor het eerst aan het begin van deze eeuw in de spreektaal gesignaleerd. Dit hun komt nauwelijks in de dialecten voor en dan alleen nog maar als insluipsel uit de standaardtaal.

Waarom is hun aantrekkelijker dan zij? Er zijn verschillende verklaringen voorgesteld. Het simpelste is de verklaring met behulp van klemtoon: de taalgebruikers zouden behoefte hebben aan een vorm die zich beter leent voor klemtoon dan zij. Een alternatieve verklaring gaat uit van de observatie dat hun vooral gebruikt wordt door dialectsprekers die de standaardtaal als tweede taal leren. Die hebben een heel andere vorm (b.v. hullie) in hun dialect, en horen standaardtaligen het vreemde hun gebruiken. Het ontgaat hun dat de vorm hun alleen in sommige functies gebruikt wordt. Als de dialectsprekers hun overnemen, gaan ze deze vorm in alle gevallen gebruiken waarin ze vroeger hullie zeiden.

Een derde en laatste verklaring ligt me het naast aan het hart, omdat mijn kinderen (allen geharde hun-gebruikers) er omstreeks hun vijfde, na mijn zoveelste correctie, zelf mee kwamen: ""Een jongen is hij, twee jongens zijn zij? Maar dan zijn het toch meisjes geworden?'' Spectaculair is de besmettelijkheid van hun hebben in de gesproken taal. Zo moesten mijn ouders onlangs voor de eerste keer hun zoon op dit punt corrigeren.

Houdingen

Zijn de varianten van de eerste, derde en vierde naamval al aanvaard als Standaard Nederlands? Of beoordelen de taalgebruikers ze nog steeds als taalfouten? Om daar meer over te weten te komen, zijn de laatste jaren verschillende deelonderzoekjes uitgevoerd. Heinsman legde aan enkele groepen scholieren een tekst met lege plekken voor, waarop de leerlingen een onderwerpsvorm van de derde persoon meervoud moesten invullen. Hij varieerde de positie in de zin en de mate waarin het voornaamwoord beklemtoond werd.

Haeseryn probeerde op een andere manier taalgebruik te ontlokken. Hij bood de volgende zin als afleider aan in een uitgebreide schriftelijke enquête, waaraan 527 Vlamingen en Nederlanders meededen: ""Wij hebben hen een cadeautje gegeven.'' Hij gaf zijn proefpersonen de opdracht de zin ontkennend te maken. Als de proefpersonen dit hen als een fout beschouwen, zullen ze deze vorm tijdens het uitvoeren van de opdracht en passant in hun veranderen.

Ik heb zelf enkele jaren geleden een poging ondernomen om de normen op een meer directe manier te bestuderen. Studenten Nederlands aan de R.U. Leiden moesten in het kader van hun studie taalbeheersing een correctie-beoordelingsexperiment uitvoeren. De proefpersonen krijgen eerst zinnen onder ogen met de opmerking dat er volgens sommigen iets mee aan de hand is. Hun wordt vervolgens de vraag gesteld, of ze die afwijking kunnen opsporen en uitleggen.

Lukt dat niet, dan legt de proefleider de bedoelde afwijking uit alvorens het experiment te vervolgen met het verzoek om de eigen opinie over de veronderstelde afwijking aan te geven op een zespuntsschaal, die loopt van 1. "Volgens mij helemaal niet fout in de schrijftaal' tot 6. "Een schrijffout waarvoor een kind zich zou moeten schamen.' De proefpersonen moesten volwassen standaardtaalsprekers zijn en minimaal middelbare school achter de rug hebben.

Smits deed een vergelijkbaar type experiment met studenten Nederlands uit Nijmegen en Leuven en professionele dialectonderzoekers uit Amsterdam.

Hen als datief

Een Leidse student legde dertig ambtenaren uit Schiedam, allen dagelijks met geschreven taal in de weer, tien zinnen voor van het type ""Drie weken geleden heeft Marie hen een brief geschreven.''

De resultaten waren duidelijk: 22 ambtenaren konden de fout in geen enkele zin vinden. Slechts één kon een regel formuleren en alle zinnen verbeteren. De overige zeven vervingen af en toe hen door hun zonder te kunnen uitleggen waarom. De meest redelijke verklaring is dat deze laatsten gewoon gegokt hebben, maar dat bleek niet zo gemakkelijk rechtstreeks te onderzoeken. Nadat de proefpersonen aan het experiment hadden deelgenomen, werd hun gevraagd of ze de regels kenden. ""Ja'', antwoordde 17... van wie negen even eerder geen enkele fout hadden kunnen ontdekken.

De proefpersonen oordeelden in tweede instantie mild over het onjuiste hen: de ene helft betwijfelde of er wel echt van een fout gesproken kon worden, de andere vond het geen fout die de schrijver diskwalificeert.

Een tweede Leids experiment met 30 andere hoog opgeleide randstedelingen leverde vergelijkbare resultaten op en Haeseryns invullers lieten het incorrecte hen ook ongemoeid. Meer dan de helft van Smits Leuvense en Nijmeegse Neerlandici veranderden zelfs het correcte hun in ""Zal ik hun die boeken alvast geven?'' in hen! De enigen die in meerderheid (66%) wel regelmatig hen in hun veranderden, waren de Amsterdamse dialectologen, die blijkbaar op een olderwietse opleiding kunnen terugkijken.

Hun als lijdend voorwerp

Een andere Leidse student legde 30 personen met een universitaire opleiding of HBO tien zinnen voor van het type ""Omdat die mensen altijd over geld zeuren, vindt hij hun vervelend.''

Evenals bij het vorige experiment claimde na afloop de meerderheid de regel voor hen en hun te kennen. Dit keer leek dat op het eerste gezicht geen bluf: slechts drie proefpersonen konden in geen van de zinnen de fout vinden; 27 proefpersonen ontdekten het incorrecte hun wel en maar liefst 15 van hen lukte dat in alle zinnen.

Maar: allen vervingen "op hun gevoel' hun door hen. Niemand slaagde erin een regel te formuleren, die ook maar ergens op leek. Veeleer keuren ze het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord hun integraal af.

Dat blijkt het duidelijkst uit de resultaten van Smits. Haar studenten keuren incorrect hun veel zwaarder af dan incorrect hen, terwijl in de Leidse onderzoekjes beide vormen even licht opgenomen werden. Voor de rest zijn Smits' resultaten vergelijkbaar met de Leidse.

Geen verwarring

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van verwarring tussen hun en hen, maar van een systematische en totale vervanging van hun door hen. Evenmin is de gedachte juist dat de problemen veroorzaakt worden door een verkeerde ontleding van de zin: aan de keuze gaat immers helemaal geen analyse vooraf. Daarbij moet nog bedacht worden dat de zinnen in al de genoemde onderzoekjes relatief eenvoudig waren: niet lang of samengetrokken, en ook niet met werkwoorden als spijten, ontnemen, bereiden of verwijten.

We hebben dus eigenlijk een gewoon geval van de vervanging van het ene woord door het andere.

Waarom is het boekerige hen uitverkoren, en niet hun, dat veel meer in de spreektaal voorkomt? Ik zie twee mogelijke oorzaken. Misschien past hen wel meer bij de andere eenlettergrepige niet-gereduceerde voornaamwoorden, die allemaal een andere klinker hebben dan de gereduceerde vormen. Naast hen komen ook hem en men voor. De tweede reden is belangrijker: uit het volgende blijkt dat hun een besmette vorm geworden is, die je beter te veel dan te weinig kan vervangen.

Hun in plaats van zij

Hoe staan taalgebruikers tegenover ""Ans en Hans hebben de loterij gewonnen; hun hebben werkelijk altijd geluk'' en dergelijke?

Om technische redenen hebben de Leidse studenten deze afwijking aan aanzienlijk meer mensen, 371, kunnen voorleggen. Het merendeel van hen was volwassen en hoog opgeleid. Het zal geen verbazing wekken dat deze proefpersonen geen enkele moeite hadden om de fout te vinden. Het incorrecte hun werd ook voorgelegd aan 34 volwassenen met alleen lagere school; met een opmerkelijk resultaat: slechts één van hen lukte het niet om de fout te vinden. De overige 33 wezen moeiteloos hun aan. De beoordeling van hun als onderwerp steekt schril af bij alle vorige toegeeflijke opvattingen. Iedereen vindt de fout in schrijftaal zo ernstig dat je je ervoor moet schamen. Hun hebben hoort dus duidelijk thuis bij groter als mij en hij hep, in de top van de meest ergerniswekkende taalfouten.

Ten slotte werden de hun-zinnen voorgelegd aan jongeren: een 5 VWO-klas en een klein groepje leerlingen uit de hoogste klas van de basisschool. De VWO-klas reageerde net als de volwassenen, maar bij de basisscholiertjes hadden we eindelijk beet: de helft slaagde er niet in de fout te ontdekken. Meer stevigheid biedt het onderzoek van Heinsman, die een veel grotere groep scholieren onderzocht. Uit zijn onderzoek blijkt dat hun hebben al bij een forse minderheid ook in de schrijftaal doorgedrongen is. De hun-verleiding is vooral groot als het voornaamwoord als gevolg van contrastief gebruik klemtoon krijgt. (""Hun zijn het eerst begonnen.'')

Toekomst

Natuurlijk leveren de kleinschalige experimentjes eerder een mozaïek op dan een duidelijk beeld. Gelukkig zijn de resultaten niet met elkaar in tegenspraak:

1. Het behoort blijkbaar tot de goede zeden om te weten hoe het met hun en hen zit, maar dat is niet meer dan een soort officieel standpunt. Standaardtaalgebruikers, ook de hoogst opgeleide, kennen de regel immers niet, of in ieder geval niet goed genoeg om hem te kunnen toepassen. Ze hechten in het concrete gebruik niet zo erg aan het correcte gebruik van beide vormen.

2. Toch worden hun en hen niet "door elkaar gehaald' of "onsystematisch onderscheiden'. Er is geen sprake van verwarring maar van vervanging, namelijk, van hun door hen.

3. Zelfs al zal hun hebben steeds meer in de gesproken taal voorkomen, toch komt hun als onderwerpsvorm de geschreven taal voorlopig niet binnen. Het verzet tegen deze vorm is daar te algemeen en heftig voor. Misschien zullen de nu weifelachtige schoolkinderen later bij het schrijven problemen houden met het onderscheid tussen zij en hun, maar waarschijnlijk zal de correctieve dwang van de ouderen zo groot zijn dat ze eieren voor hun geld kiezen.

Het lijkt niet al te gewaagd om de toekomst van de derde persoon meervoud te voorspellen. Onbeklemtoond is deze altijd ze - als onderwerp, meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp. Mét klemtoon worden meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp hen, terwijl zij zich als onderwerpsvorm handhaaft.

Het voorgaande leidt als vanzelf tot het volgende voorstel voor een eenvoudige beregeling van het persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud:

1. Is het voornaamwoord onbeklemtoond? Zo ja, kies ze. Wel klemtoon? Ga door naar 2.

2. Is het voornaamwoord onderwerp? Zo ja, kies zij. Zo nee, kies hen.

Is dit alweer capituleren voor domheid, vergelijkbaar met het voorstel om (a+b)² gelijk te stellen aan a²+b², omdat de kinderen dat eerder zouden snappen? Ik denk het niet. De onjuistheid van de algebraïsche vergelijking kan door middel van een afleiding aangetoond worden.

De correctheid van de hier behandelde taalvormen daarentegen is afhankelijk van het oordeel dat competente taalgebruikers op grond van hun taalgevoel geven. En geen enkele standaardtaal is gebaat bij regels die mensen noodzaken om om de haverklap een naslagwerk te raadplegen.

Dit artikel is onder meer gebaseerd op enkele artikelen in het septembernummer van Onze Taal.