Chemicaliën in milieu veroorzaken verborgen zenuwziekten; Een stille epidemie

B.L. Johnson, editor, Advances in neurobehavioral toxicology, Applications in environmental and occupational health, Lewish Publishers, Chelsea, Michigan, 1990. ISBN: 9-87371-374-5.

Dat door de mens in omloop gebrachte verbindingen het functioneren van het zenuwstelsel negatief kunnen beïnvloeden is vanouds bekend. Tweeduizend jaar geleden werd door diverse schrijvers vermeld dat lood een zenuwgif is. En de mad hatter, onder meer bekend uit Alice in Wonderland was een van de opvallende schaduwzijden van de vroege industriële revolutie.

De kennis over de gevaren van door de mens gemaakte stoffen voor het zenuwstelsel heeft geen gelijke tred kunnen houden met het sterk gegroeide aantal stoffen dat in gebruik is. In het licht van de hoge eisen die de hedendaagse samenleving stelt aan het functioneren van het zenuwstelsel, is dat op zijn minst merkwaardig.

Het achterblijven van de neurotoxicologie zou niet zo erg zijn als het zoeken naar nadelige effecten van door de mens gemaakte stoffen op het zenuwstelsel iets was als het zoeken naar een speld in een hooiberg. Alles wijst er echter op dat het veeleer gaat om het zoeken van een speld in een berg spelden. En waar de kennis over neurotoxiciteit wel tot duidelijke waarschuwingssignalen leidt, gebeuren nog altijd verschrikkelijke ongelukken. Deze laatste komen goed tot hun recht in viertal bijdragen voor Advances in neurobehavioral toxicology over de situatie in Zuid-Amerika.

Zenuwvergiften als insektenbestrijdingsmiddelen, lood- en kwikverbindingen trekken daar een spoor van verwoesting. En daarnaast zijn er vele honderdduizenden kinderen die met het snuiven van organische oplosmiddelen het functioneren van hun zenuwstelsel verwoesten. Alleen al in Mexico City wordt het aantal oplosmiddelensnuivers geschat op 500.000.

Trouwens wij in industriestaten kunnen er ook wat van. Needleman laat zien dat 17 procent van de Amerikaanse kinderen een hoeveelheid lood in het bloed heeft die valt in het uit onderzoek bekende neurotoxische gebied. In Nederland ligt dit aantal in dezelfde orde. Niettemin rijdt nog steeds een onbeschaafd hoog aantal autobezitters op gelode benzine en gedragen veel jagers zich als loodjunken.

Late effecten

Advances in neurobehavioral toxicology is echter niet zozeer gericht op het uiteen zetten van bestaande kennis, alswel op de verwerving van nieuwe kennis, zowel in de breedte als in de diepte.

Een van de zaken die, in de diepte gaand, aan de orde komen is het verschijnsel dat sommige aandoeningen van het zenuwstelsel eerst geruime tijd na blootstelling aan de daarvoor verantwoordelijke milieufactor aan de dag treden. Van een aantal chemicaliën zjn thans late effecten op het functioneren van het zenuwstelsel bekend. Het laat zich aanzien dat het hier gaat om een aantal spelden dat deel uitmaakt van een fikse berg. Sommige van de late effecten van neurotoxische milieufactoren ontstaan waarschijnlijk als gevolg van een domino-effect. In dit geval leidt aantasting van een beperkt aantal zenuwcellen mettertijd tot de aantasting van een groot aantal cellen. Zulke domino-effecten zijn waargenomen na blootstelling aan insektenbestrijdingsmiddelen uit de organofosfaatfamilie, zoals trichloorfon.

Andere late effecten zijn vermoedelijk lange tijd "gemaskeerd'. Het zenuwstelsel beschikt voor een aantal functies als regel over een ruime reservecapaciteit. Beschadiging van een beperkt aantal zenuwcellen hindert dan niet. Met het verstrijken der jaren vermindert echter de reservecapaciteit, en dan worden de aanwezige beschadigingen "ontmaskerd'. Een dergelijk verschijnsel is onder meer waargenomen na blootstelling aan kwikverbindingen. Zowel in het geval van domino-effecten als bij gemaskeerde effecten treden nadelige gevolgen op bij blootstellingen die aanmerkelijk lager liggen dan het niveau waarbij acute effecten optreden. Niettemin blijft er een bepaalde drempelwaarde waaronder zulke effecten niet optreden.

Silbergeld wijst er in haar bijdrage echter op dat er nog een derde mogelijkheid is. Daarvoor geldt dat een drempelwaarde ontbreekt, en ook minieme blootstellingen grote effecten hebben. In dit geval wordt tijdens het vroege ontwikkelingsproces in de moederschoot het erfelijk materiaal of een ander essentieel ingrediënt veranderd van een cel, die een belangrijke rol speelt bij de totstandkoming van het zenuwstelsel. Het resultaat is in dit geval dat het ontwikkelde zenuwstelsel niet goed functioneert. Een dergelijk effect is waargenomen na blootstelling aan ioniserende straling.

Ruime aandacht besteedt Advances in neurobehavioral toxicology aan testen bij mens en dier, bedoeld om nadelige gedragseffecten te meten. Zulke testen zijn uiteraard van groot belang voor een verbreding en verdieping van de kennis. Twee opvallende zaken komen daarbij uit de bus. Hänninen laat in haar bijdrage zien dat de reproduceerbaarheid van neuropsychologische resultaten bij het testen van blootstellingen aan neurotoxische stoffen beperkt is. Iets dergelijk blijkt ook uit het werk van Letz. Juist ook mensen die aan grote doses zenuwwerkingsverstorende stoffen zijn blootgesteld vertonen sterk wisselende prestaties in de op hen losgelaten testbatterijen. Eén van de mogelijke verklaringen is dat zulks niet een artefact is van de testsituatie, maar tekenend voor het feitelijke effect van aanzienlijke blootstellingen. Overigens is het ook mogelijk dat de beperkte reproduceerbaarheid samenhangt met de acute effecten van recente blootstellingen.

Een ander opvallend resultaat is het beperkte voorspellende vermogen van dierproeven. Zo leverden dierproeven die zijn gedaan in het kader van het befaamde Amerikaanse National Toxicology Program geen aanwijzing voor de neurotoxiciteit van het zenuwgif methylbromide.

Geharrewar

Niet opvallend maar wel goed voor veel (terecht) geharrewar is de discussie over de meest geschikte testbatterij voor het meten van effecten bij mensen. De testbatterij zoals die door de Wereldgezondheidsorganisatie is ontwikkeld, blijkt nogal eens tekort te schieten. Zowel de gevoeligheid als de "breedte' van de onderzochte effecten zijn voor veel situaties onvoldoende. Het aantal chemicaliën dat op neurotoxische effecten is getest is klein, vermoedelijk minder dan 10 procent van het totaal aantal chemicaliën dat in algemeen gebruik is. En de tests die op deze chemicaliën zijn uitgevoerd zijn vaak weinigzeggend. Late effecten van neurotoxische stoffen zijn nog nauwelijks onderzocht.

Spencer oppert dan ook de mogelijkheid dat we in feite midden in een stille epidemie van door neurotoxische stoffen veroorzaakte late effecten (zoals dementie en de ziekte van Parkinson) zitten. En wie nog zoekt naar onvoldoende onderzochte oorzaken voor het vollopen van de WAO heeft op het gebied van de zenuwvergiften waarschijnlijk een kans voor open doel.