BIG FIVE

W. K. B. Hofstee & B. de Raad: Persoonlijkheidsstructuur: de AB5C Taxonomie van Nederlandse Eigenschapstermen. In: Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, ter perse.

Oliver P. John: The "Big Five' Factor Taxonomy: Dimensions of Personality in the Natural Language and in Questionnaires. In Lawrence A. Pervin (Ed.): Handbook of Personality: Theory and Research, New York: Guilford Press, 1990

Robert R. McCrae & Paul T. Costa jr.: Personality in Adulthood, New York: Guilford Press, 1990

De psychologie staat bekend als een wetenschap waarvan de beoefenaren elkaar altijd tegenspreken en waar de theoretische verzuiling groter is dan binnen andere disciplines, zeker vergeleken met de bèta-vakken. Tenminste, dat laatste dènkt men, omdat het de meeste leken ontgaat wat zich daar voor verschillen van mening afspelen, terwijl over menselijk gedrag en beleven - het onderwerp van de psychologie - veel buitenstaanders kunnen meeluisteren met de discussie.

Neem bij voorbeeld de persoonlijkheidspsychologie, die zich bezighoudt met karakterverschillen tussen mensen. Van origine draait het om seksuele lust en agressie, zeggen de psychoanalitici. Nee, vinden de humanistisch psychologen, fundamenteel is juist het openstaan voor medemensen en de behoefte aan onderlinge waardering. Er is helemaal geen origine, geen fundamenteel begin, denken de behavioristen, het is maar wat een mens door bekrachtiging aan- en afleert. Elk van deze drie stromingen kent aanhangers die zich weer in een eigen theoretische richting hebben afgescheiden.

Vandaar misschien dat er onder persoonlijkheidspsychologen de laatste paar jaren een zekere opwinding heerst, omdat men een verschijnsel op het spoor is, waarover men het dwars door alle stromingen heen wel eens eens zou kunnen worden. Voorzichtig wordt zelfs gesproken van een psychologische wet. Het gaat dan niet over de vraag hoe een persoonlijkheid wordt gevormd - daarover kan men van mening blijven verschillen - maar over de persoonlijkheid zoals die zich manifesteert als hij eenmaal gevormd is. Want alle theorieën over persoonlijkheidsontwikkeling komen immers uiteindelijk op eigenschappen uit.

In het kort komt het verschijnsel er op neer dat als mensen de persoonlijkheid van zichzelf of van iemand anders moeten beoordelen zij weliswaar een breed scala aan kenmerken gebruiken, maar dat die zonder dat zij zich daarvan bewust zijn, gewoonlijk te groeperen zijn rond vijf criteria. Mensen geven van een persoon die zij moeten beoordelen typeringen van gedrag in een specifieke situatie, van kenmerkend gedrag in het algemeen en van persoonlijkheidseigenschappen. Bij statistische analyse van de beoordelingen van grote groepen beoordelaars blijkt dat bepaalde typeringen met grote regelmaat samen voorkomen en dus groepen vormen. Daardoor gaat het uiteindelijk om vijf "supercriteria'. Tezamen worden die de Big Five genoemd. Ze zijn van een hoog abstractieniveau en worden door de onderzoekers dan ook het liefst aangeduid met Romeinse cijfers. Voor inhoudelijke discussies heeft men echter toch concretere benamingen nodig. In het Engels zijn er diverse in omloop. Ook in het Nederlands worden er verschillende door elkaar gebruikt.

De volgende vijf dimensies lijken de lading echter het meest te dekken: extravert-introvert, (in omgang) aardig-onaangenaam, (in werk en omgang) zorgvuldig-onzorgvuldig, (emotioneel) stabiel-labiel en ideeënrijk-ideeënarm. Met name over de aanduiding van de tweede dimensie - in het Engels agreeableness - is Nederland verdeeld: Elshout uit Amsterdam gebruikt "vriendelijkheid', Hofstee uit Groningen "respect'.

Uiteraard zijn er ook typeringen die bij twee of zelfs meer dan de Big Five groepen passen, maar bijna altijd heeft de lading op één de overhand. De eigenschap "behulpzaam' valt geheel onder "aardig'. Maar "leergierigheid' onder "zorgvuldig' én "ideeënrijk'. "Rustig' heeft zelfs kenmerken van drie dimensies: "extravert', "stabiel' en "aardig'.

Afgelopen zomer werden kort na elkaar twee internationale conferenties gehouden - op het NIAS in Wassenaar en aan de universiteit van Oxford - waar de Big Five een centraal thema vormden. In Oxford bestreed de beroemde Londense psycholoog Eysenck weliswaar dat het vijf-factorenmodel een verbetering is ten opzichte van zijn eigen vertrouwde model van extraversie-introversie, neuroticisme en psychoticisme, maar de kracht waarmee de vijf zich iedere keer weer in onderzoek manifesteren overtuigt steeds meer psychologen. En dat vier van de vijf impliciet een waardeoordeel inhouden neemt men voor lief. Dat kan ook nauwelijks anders als mensen mensen beoordelen. Bovendien wijzen de verdedigers van de Big Five er op dat ook extreem hoge beoordelingen van een individu op de positieve kant van een van de vijf dimensies negatief kan zijn. Wie extreem hoog scoort op "zorgvuldig' - op zichzelf een hooggewaardeerd beoordelingscriterium - kan een dwangneuroticus zijn.

Voor de typeringen van zichzelf en anderen worden in onderzoek uitgebreide vragenlijsten gebruikt. Series kenmerken waarvan men op een puntenschaaltje moet aangeven hoe sterk ze op de betreffende persoon van toepassing zijn. Series tegenstellingsparen, waar men hem of haar steeds tussenin moet zien te plaatsen. Beschrijvende zinnetjes waarvan men met ja of nee de geldigheid van een persoon moet beoordelen ("Gaat meestal ruim op tijd van huis om de trein te halen').

Persoonlijkheidspsychologen zeggen dat het om robuuste gegevens gaat. Dat is jargon om aan te geven dat dezelfde onderzoeksuitkomsten zó vaak gevonden worden, dat zij niet met toevalligheden van de steekproef, maar met mensen in het algemeen te maken hebben.

Misschien zijn de Big Five de centrale criteria die in de geschiedenis van de westerse mens zijn uitgekristalliseerd als van groot belang voor individuele en collectieve produktiviteit en voor sociale omgang. Eigenschappen en typeringen die bij elk van de vijf groepen horen hebben in de westerse talen een codering gekregen, een fijn vertakte woordenschat die mensen gebruiken als aanduidingen van individuele verschillen. Volgens Costa, een van de prominente onderzoekers op dit terrein, is het vijf-factoren-model een "systeem van natuurlijke ordening'. Daarmee verweert hij zich tegen critici, die doen alsof het slechts om een soort taalanalyse gaat, die met menselijk gedrag en beleven weinig te maken heeft. Taal is niet toevallig, maar is een neerslag van eeuwen en eeuwen menselijk bestaan, van natuur en cultuur, waarin men kennelijk heeft ervaren dat het loont zichzelf en elkaar volgens die vijf criteria in de peiling te houden. Het onbewuste classificatiesysteem heeft zo te zien zijn dienst bewezen, omdat het voor de taalgebruikers de realiteit van de in onze cultuur belangrijkste persoonlijkheidsverschillen weerspiegelt, anders was het nooit ontstaan en zou het niet steeds opnieuw gevonden kunnen worden.

Als deze beoordelingscriteria zo hardnekkig zijn rijst de vraag of een individuele persoonlijkheid ook op deze vijf criteria stabiel is te typeren. Dat wil zeggen dat één persoon in diverse situaties en door verschillende beoordelaars met dezelfde clusterende termen is te beschrijven, en dat men zijn of haar gedrag tot op zekere hoogte kan voorspellen. Anders gezegd: is er correspondentie tussen de gehanteerde beschrijvingsdimensies en de realiteit van individuele persoonlijkheden? Zijn er in de kinderjaren kenmerken die systematisch verband houden met het latere profiel op de vijf dimensies? Blijft het profiel gedurende de levensloop gelijk? En tenslotte is er de vraag naar de erfelijke basis van de posities op elk van de vijf dimensies.

En daarmee zit men in de persoonlijkheidspsychologie weer midden in de trek-theorie, die in de jaren zeventig als afgedaan werd beschouwd. Trait or state was het motto en de tijdgeest koos voor state. De oorspronkelijke persoonlijkheidspsychologie dacht in traits, in stabiele persoonlijkheidstrekken waarmee iemand te typeren viel en die in allerlei situaties tot uitdrukking kwam in een systematische neiging tot bepaalde gevoelens en bepaald gedrag. In de jaren zeventig, toen men van "vast' niets meer moest hebben, laat staan van "aangeboren', kwam de state-psychologie op onder aanvoering van Mischel. Hoe een mens zich gedraagt werd afhankelijk verklaart van de situatie, zijn rol daarin en zijn stemming van het moment. Maar zoals Costa schrijft: ""Rollen, stemmingen en situaties komen en gaan, terwijl persoonlijkheid een leven lang meegaat''.

Leken zijn dus ook allemaal "trait-psychologen', want ze protesteren zelden als zij zichzelf of anderen moeten typeren. Ze zeggen niet: ""Dat hangt van de situatie af'', maar gaan meteen aan de slag om de betreffende persoonlijkheid vijfdimensioneel de maat te nemen.