Wisselspelers bij volleybal noemen zich schaduwteam

HAMBURG, 11 SEPT. De wisselspeler in het voetbal wordt al ongeduldig als hij een kwartiertje moet warm lopen langs de lijn. Dan zoeken zijn ogen die van de trainer. Hé, komt er nog wat van? Volleyballers en met name die van het Nederlandse mannenteam zijn niet zo. De reserves in die tak van sport zitten niet. Zij staan, de hele wedstrijd lang. Zij huppen, rekken, strekken, klappen en schreeuwen van uit een hoek van de zaal aanwijzingen naar hun teamgenoten in het veld.

Volleyballers moeten bijna wel positivo's zijn. Ze hebben een engelengeduld en bezitten ook nog de wilskracht de spelers die in het veld staan op te peppen. Even dat tikje op de kont tijdens de time-out. “En dat is gemeend. Het komt uit het hart. Anders zouden we het niet doen”, zegt Arnold van Ree, de tweede spelverdeler van Oranje. Bas Koek, een andere wisselspeler, vindt volleyballers “een ander slag mensen” dan, bijvoorbeeld, voetballers. “Dat kan je van mijlenver zien.” Van Ree kent het verschil uit eigen ervaring. Hij voetbalde tot zijn zeventiende jaar en ging daarna pas volleyballen. Volgens Van Ree is de teamgeest in het volleybal beduidend groter dan bij het voetbal. “Die is heel close.”

Van Ree heeft geconstateerd dat het in het voetbal niet noodzakelijk is dat de spits goed met de linksback kan opschieten. “Bij ons zou dat niet kunnen.” Koek: “Je staat met zes bomen van kerels op een veldje van 81 vierkante meter. Dan moet het onderling perfect klikken. Anders krijg je op zo'n klein oppervlak onherroepelijk problemen.

“De oude Selinger heeft eens gezegd dat een team uit één lichaam met zes paar armen en zes paar benen behoort te bestaan”, aldus Van Ree. Volgens de volleyballers van Oranje zou een type als Romario, de PSV-voetballer, ook niet in hun team passen. “Dat is een te grote individualist”, constateert Koek. “Bij voetbal kan één doelpunt genoeg zijn voor de winst. Wij moeten drie keer naar de vijftien toe. Een leuke actie is bij ons mooi meegenomen, maar meer niet.”

Reserves horen, zeggen Van Ree en consorten, ook zeer nadrukkelijk bij de volleybaleenheid. Ze praten zelf liever van “het schaduwteam”. Natuurlijk willen ze zelf graag spelen. “Dat is makkelijk zat”, zegt Olof van der Meulen, Oranje's nummer elf. “Maar jij hebt er niets over te zeggen. De coach beslist en die heeft bijna altijd gelijk. Het mag je niet uitmaken op welke manier je met je team het hoogste probeert te bereiken, als basisspeler of als wisselspeler. Als je daar niet tegenkan moet je eruit stappen.”

Patrick de Reus praat van “een investering” die hij met het vele trainen bij het Nederlandse team doet. Hij wijst op Ron Boudrie. De routinier was in veruit de meeste 369 interlands die hij speelde wisselspeler. In de wedstrijd tegen Joegoslavië bij het lopende Europese kampioenschap in Hamburg trok hij Nederland over het dode punt heen. “Dat is het beste bewijs dat zo'n investering eruit komt”, zegt De Reus. “Ik vind het knap van Ron en heel erg mooi.”

De wisselspelers spelen aan de kant hun eigen wedstrijd. Ze leven volop met hun ploeggenoten mee en feliciteren elkaar onderling als op het veld een belangrijk punt is binnengehaald. Dat komt wel eens overdreven over. Van der Meulen echter: “Wij horen er toch ook bij? Ik voel me niets minder dan iemand die speelt. Dat geldt voor iedereen van de wissels, denk ik.” De reserves bespreken tijdens het spel met elkaar de acties van de eigen ploeg, de goede en de slechte. “Maar nooit in de trant van: wat een lul is dat”, aldus Van Ree.

Het is ook weer niet zo dat de wisselspelers af en toe niet flink de pest in hebben. Van der Meulen bekent daar bijvoorbeeld last van te hebben gehad tijdens het al gememoreerde EK-duel van afgelopen zondag tegen de Joegoslaven. Coach Harrie Brokking bracht toen tegen het einde van de tweede set Boudrie als libero in de sukkelende ploeg. Van der Meulen had graag gehad dat de keuze op hem zou zijn gevallen. Hij zegt even binnensmonds te hebben gevloekt. De rest merkte er niets van. “Mijn boosheid duurde ook maar tien seconden. Je moet verder en die pot winnen.” Later bracht Van der Meulen zijn grieven ter sprake in de dagelijkse evaluatie met de ploeg na het avondeten. “Iedereen begreep het best wel.”

Patrick de Reus maakte het bij de clubs waarin hij speelde wel mee dat spelers openlijk blijk gaven van hun ongenoegen. “Als zo'n jongen er werd uitgehaald, smeet hij zijn bordje weg, liep weg en ging ergens in een hoek met een handdoek over zijn hoofd zitten.” Het zijn echter taferelen die niet veelvuldig voorkomen in het topvolleybal. Koek: “De types die niet geschikt zijn voor volleybal vallen vanzelf weg.” Arnold van Ree ergerde zich onlangs aan een column in de Telegraaf waarin de auteur vond dat de wisselspelers in het volleybal niet zo positief moeten zijn. De speler typeert dat als “een dom voetbalstandpunt”. “Als je zeikt over een slechte actie van een teamgenoot kan dat nadelige gevolgen hebben. Een minuut later moet je misschien zelf het veld in en speel je samen met de speler bij wie je net een negatief etiket op zijn voorhoofd hebt geplakt. Dat kan nooit goed zijn.”

Het geduld van de reserves van de Nederlandse ploeg wordt af en toe flink op de proef gesteld. Sommige spelers stonden bij het EK slechts een paar minuten op het veld. De coach moet secuur zijn want hij heeft maar zes wisselmogelijkheden per set. Daarom wordt De Reus als blokkeerder in plaats van de kleine Selinger ingezet en werd Van der Meulen met zijn sprongservice soms opgeroepen als het duel pas in de beslissende fase verkeert. Het komt dan voor dat De Reus weer naar de kant moet zonder dat hij de bal ook maar heeft aangeraakt. “Ik weet waarom ik word ingezet. Ik moet proberen die bal te blokken. Daar concentreer ik me op. Als het lukt geeft dat een enorme voldoening.” Van der Meulen: “Een actie van een wisselspeler kan beslissend zijn. Zo valt het me bij het voetbal op dat een invaller vaak een doelpunt maakt.”

Bas Koek is als enige uit de oranjeselectie van twaalf spelers nog helemaal niet in actie gekomen in Hamburg. Hij fungeert ook als de stand-in van Zwerver en die is zelfs nog van groot belang voor de ploeg als hij op één been speelt. Koek staat dus bijna nooit in het veld. Anderhalve maand geleden mocht hij in drie oefenwedstrijden tegen Zweden zo waar anderhalve set meedoen. De 23-jarige Koek vindt het een eer om “de beste aanvaller van de wereld”, Zwerver, af en toe te vervangen. Maar aangezien de Nederlandse internationals niet bij een club spelen moet hij verder zijn voldoening uit de trainingen halen. En dat lukt goed, zegt Koek.

De dagelijkse onderlinge partijtjes in de Bankrashal zijn volgens Koek “ware slachtpartijen”. “Daar zou eigenlijk een officiële scheidsrechter bij moeten zijn. Het is bijna een strijd op leven en dood. Er wordt gejuicht, gescholden en door het net dreigend naar elkaar gekeken, alles zoals in een officiële wedstrijd. Zo voelt dat ook. Je bent ook echt gespannen. En dat werkt. Daar hebben wij als wisselspelers veel aan.”