Wet belemmert herplaatsen arbeidsongeschikten; Uitbannen financiële prikkels struikelblok voor gedeeltelijk afgekeurden om weer te werken

LELYSTAD, 11 SEPT. Een derde van de arbeidsongeschikten gaat opnieuw aan het werk. Er zijn echter wettelijke belemmeringen die herplaatsing onaantrekkelijk maken, zowel voor werkgevers als werknemers.

D. Kemp, als enige bedrijfsarts werkzaam bij een kleine vestiging van de Rijksbedrijfsgezondheidsdient (RBB) in Lelystad, is een fanatieke herplaatser. In zijn praktijk gaat meer dan de helft van de afgekeurden weer aan het werk, terwijl dat landelijk ongeveer een derde is.

Het "nieuwe land' in de Flevopolder, waar Kemp zijn praktijk van 3.000 werknemers heeft, wijkt in een aantal opzichten af de rest van Nederland. Zijn resultaten zijn daarom niet zonder meer over te plaatsen naar het "oude land'.

Kemp heeft echter met dezelfde wettelijke belemmeringen te maken als zijn collega's. Het uitbannen van elke financiële prikkel om als gedeeltelijk afgekeurde aan het werk te gaan en te blijven ziet Kemp als het belangrijkste struikelblok. Iemand die 40 procent arbeidsongeschikt is en 3 dagen in de week werkt, en dus een part-time-inkomen met een verzekeringsuitkering combineert, wordt op zijn uitkering gekort na een promotie of een periodieke loonsverhoging. Het inkomen stijgt dus niet boven de inflatiecorrectie. Kemp vindt dat onzin: “Iedereen die werkt wil wel eens meer geld zien. En de WAO is per slot van rekening een verzekering. Je hebt premie betaald, schade ondervonden en krijgt daarvoor een uitkering. Die afrekening zou definitief moeten zijn en niets te maken moeten hebben met het nieuwe werk. Als mijn huis afbrandt, ik van de verzekering vier ton krijg om het te herbouwen en ik het tien jaar later voor zes ton verkoop, dan komt de verzekeringsmaatschappij die twee ton winst toch ook niet terughalen?”

Een tweede factor die herplaatsen bemoeilijkt is het overwerk. In sommige beroepen levert overwerk het beleg op de boterham of geld voor het autootje. Maar voor partieel werkende zieken en arbeidsongeschikten is overwerk verboden. Kemp: “Mensen zijn daardoor minder gemotiveerd om part-time te werken en voor het resterende deel te worden afgekeurd. Ze laten zich liever helemaal afkeuren en gaan dan zwart, grijs of wit aan het werk. Dat levert meer op en kan zolang de computers niet gekoppeld zijn. Medisch gezien is er geen bezwaar tegen om een partieel geschikte buschauffeur of verpleegkundige op zaterdag of zondag ter vervanging van een collega te laten overwerken. Bovendien: als je het niet officieel toestaat verdienen ze wel op een andere manier bij. De inspanning verrichten ze dus toch. Ik ben ervan overtuigd dat veel van mijn klanten nu bij de boeren in de polder aan het werk zijn. Wie moeten anders de bieten dunnen of de appels plukken?”

Werkgevers hebben problemen met de lagere produktie van arbeidsongeschikten. Kemp: “Ze produceren ongeveer 30 procent minder, soms omdat ze trager werken, soms omdat ze het normale tempo wel aankunnen, maar niet meer kunnen "pieken'. Een bonusregeling waarbij een derde van de loonkosten van de vennootschapsbelasting kan worden afgetrokken zou het aannemen van arbeidsongeschikten al veel aantrekkelijker maken. De malusregeling die nu wordt ingevoerd - de boete van een jaarsalaris als een werknemer in de WAO verdwijnt - werkt volgens mij niet. Daar zullen de meeste bedrijven zich tegen verzekeren en dan zijn de kosten uiteindelijk toch weer voor de gemeenschap.”

Herplaatsen van arbeidsongeschikten wordt vaak overgelaten aan de Gemeenschappelijke medische Dienst (GMD) die op zijn vroegst na zes maanden ziekte wordt ingeschakeld en dan langzaam in actie komt. De verzuimer zit dan al zo lang thuis dat zijn werkgever hem niet meer mist. Het voordeel van een bedrijfsarts is dat er vanaf het begin van de ziekte aan herplaatsing kan worden gewerkt.

Kemp gelooft heilig in partiële herplaatsing bij de voormalige werkgever: “Dat is in feite de enige mogelijkheid, maar kost vooral in het begin heel wat zeuren en aanhouden. Het vergt vertrouwen tussen directie, personeelszaken en bedrijfsgezondheidsdienst. Maar als dat er eenmaal is, gaat het.” Hij schat dat herplaatsten gemiddeld vijf jaar aan het werk blijven en dan met pensioen of met de vut gaan, alsnog helemaal worden afgekeurd of overlijden.

Kemp laat werknemers zo snel mogelijk weer aan de slag gaan waarbij ze moeten proberen wat ze nog aankunnen. Dat gaat dan met vallen en opstaan, waarbij ze zich nog regelmatig ziekmelden. Bedrijfsartsen spreken van het "uitslingeren' van een zieke. De ziektewetuitkering blijft daarbij aanvankelijk doorlopen, maar kan later in perioden worden onderbroken. Kemp: “Wanneer duidelijk is dat iemand bepaald werk bijvoorbeeld drie dagen in de week aan kan, wordt hij vervolgens voor 40 procent afgekeurd.”

Kemp: “Soms wordt het je moeilijk gemaakt. In het onderwijs is het natuurlijk moeilijk om een vervanger te vinden die zich aanpast aan de wisselende werktijden van een zieke. En veel scholen in het bijzonder onderwijs hebben helemaal geen belang bij gedeeltelijke terugkeer omdat ze zich hebben verzekerd en dan 120 procent van het salaris krijgen uitbetaald. Ze worden er beter van en zeggen: ziek maar rustig uit. Het gevaar van deze methode is dat iemand definitief thuis blijft. Hetzelfde doet zich voor bij de sociale werkplaatsen waar bijna alle werknemers een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben.”

De RBB in de Flevopolder, Kemps dienst, heeft de (voormalige) Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) als grootste klant. Daar waren vanouds veel polderwerkers in dienst die in de grootschalige landbouw werkten.

“De polderwerkers hebben een kanjer van een CAO” ,aldus Kemp. “De salarissen waren goed voor de relatief laaggeschoolden, maar belangrijker was dat in de CAO vast lag dat ze bij ziekte drie jaar in dienst bleven en niet na één jaar al werden gekeurd voor het invaliditeitspensioen. Ik heb het daardoor wel meegemaakt dat iemand die ernstig gewond was geweest en na anderhalf jaar voor het eerst weer wat kon proberen toch weer aardig aan de slag is gekomen. Normaal zijn ze je dan bij je eigen bedrijf al vergeten. Doordat je drie jaar de tijd had om naar een andere baan om te kijken, wat dan werd afgesloten met een gedeeltelijke afkeuring, kon je natuurlijk een hoog percentage herplaatsingen realiseren. Dat is onder die groep wel 70 tot 80 procent.”

Kemp: “Herplaatsen is toch een kwestie van zeuren, er achteraan gaan, op huisbezoek gaan en het bedrijf bezoeken. Ik heb daar 15 jaar een hobby van gemaakt. U mag het ook de zure plicht tegenover het land noemen. Ik vind de tijd door minder aandacht aan aanstellingskeuringen te besteden, maar het blijft moeilijk om het goed te doen als je 3.000 werknemers in je praktijk hebt.”

Bedrijfsartsen en verzekeringsgeneeskundigen krijgen vaak het verwijt dat ze op langdurig zieken "maar een etiket' plakken en ze zo tamelijk willekeurig tot arbeidsongeschikten verklaren. De betrokken artsen gedragen zich meer als keurmeester dan als dokter. Kemp: “De kritiek is ongenuanceerd, maar er worden wel fouten gemaakt. Er wordt ook te veel van ons gevraagd. Het is niet toevallig dat minister Dales de normpraktijk voor bedrijfsartsen wil verlagen naar 2.300 werknemers. Ik heb ook wel eens gehad dat ik twee gevallen vlak na elkaar kreeg die zuiver medisch gezien hetzelfde mankeerden en dan keurde je de ene af en de ander niet. Ik vroeg mezelf af of ik nou met twee maten aan het meten was. Maar sociaal was het wel te verklaren. Tijdens het uitslingeren laat je iemand uitmaken hoeveel hij nog kan werken. Als je weet wat er over is, dan plak je er een etiket op en keur je hem voor het resterende deel af.”