Vierdaagse verdwijnt achter de horizon

Wat is er over van het "lonkend perspectief' van vierdaagse werkweken? Die vraag dringt zich op na lezing van de gisteren verschenen nota van de vakcentrale FNV over het arbeidsvoorwaardenbeleid voor 1992.

In de gelijknamige nota van vorig jaar heette het (op pagina 3) ferm: “Voor de totale FNV geldt dat in 1993 een 35-urige werkweek voor iedereen gerealiseerd moet zijn of in het dan nabije verschiet moet liggen”. Dit jaar staat er (op pagina 7): “Op middellange termijn is het streefdoel een gemiddelde werkweek van 35 uur”.

Het is niet de eerste keer dat de grootste vakcentrale zich genoodzaakt ziet haar beleid ten aanzien van arbeidstijdverkorting bij te stellen. Halverwege de jaren tachtig gebeurde het ook. Toen gold korter werken voor de FNV als een bij uitstek geschikt instrument in de strijd tegen de torenhoge werkloosheid.

Op weg naar het toen gekozen doel ("32 uur in 1990') werd in de jaren 1982-1986 in ruil voor loonmatiging een eerste stap gezet. Maar daarna raakte de vaart eruit, onder andere doordat de doorgevoerde arbeidstijdverkorting veel minder nieuwe banen opleverde dan werd verwacht. De "herbezetting' viel tegen, de werkdruk nam toe. In menig bedrijf kregen de werknemers er een ATV-kater van.

Twee jaar geleden achtte de FNV de tijd rijp voor een “nieuw massief offensief” voor korter werken. Het moest uitmonden in een gemiddelde werkweek van 35 uur in 1993. Maar ondanks een wervende campagne ("vier dagen werken, drie dagen vrij') smoorde het streven in gemillimeter. In 1990 bedroeg de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor werknemers die onder CAO's vallen 37,84 uur, dit jaar ligt dat op 37,72 uur. In het licht van de doelstelling een weinig hoopgevend tempo.

De nieuwe nota weerspiegelt deze realiteit. In veel opzichten gaat het om voortzetting van het FNV-beleid van de afgelopen jaren: beheerste loonontwikkeling bij gelijktijdige verbetering van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Maar het accent is verlegd naar “meer en gezond werk' met als kernpunt de verbetering van de kwaliteit van het werk.

“Het betaalde werk is in Nederland zo langzamerhand een vorm van topsport”, aldus de nota. Je moet wel heel sterk van lijf en leden zijn om het tot je pensioen vol te houden. Daarom moet “de spiraal van een steeds zwaardere werkdruk en een steeds maar toenemende uitstoot naar de WAO eindelijk worden doorbroken”.

Zeker, een verdergaande herverdeling van het werk blijft “onverminderd van belang” en alle aangesloten bonden “onderschrijven de noodzaak van verdere ATV”. Die moet worden toegesneden op “de voorkeuren en specifieke omstandigheden in de verschillende CAO-gebieden”. En de "vierdaagse' zal “daar waar de mogelijkheden aanwezig zijn worden nagestreefd”. Maar dat minimaal de helft van de produktiviteitsstijging moet worden ingezet voor maatregelen die via herverderling van werk meer banen opleveren, daarover wordt van de FNV in tegenstelling tot vorig jaar niets meer vernomen.

De oorzaken van het mislukken van het "nieuw massief offensief' zijn vlot opgesomd. De FNV-bonden zijn onderling verdeeld: de animo voor korter werken bij de Industriebond, de ambtenarenbond AbvaKabo en de Bouw- en houtbond is beduidend geringer dan bij de Dienstenbond, de Vervoersbond en de Voedingsbond. Het afgelopen CAO-seizoen heeft bovendien duidelijk gemaakt dat de leiding van deze laatste drie bonden aan arbeidstijdverkorting dikwijls meer prioriteit toekent dan hun respectievelijke achterbannen.

Ook de afwijzende houding van de werkgevers (“mordicus tegen”) en de opstelling van het kabinet - dat volgens Stekelenburg “een dubbele blinde vlek” heeft voor de rol die korter werken in toekomstscenario's kan spelen - speelden de FNV parten. Maar de belangrijkste factor is misschien wel het historische gegeven, dat jaren van betrekkelijk geringe economische groei niet het gunstigste gesternte bieden voor verdergaande ATV.