Munt met twee snelheden

NEDERLAND heeft voor de helderheid van een harde lijn gekozen bij de onderhandelingen over de Economische en monetaire unie (EMU), het streven naar een gemeenschappelijke Europese munt.

Het is dan ook geen wonder dat maandag, tijdens de eerste bijeenkomst van de EG-ministers van financiën na het zomerreces, stevig gesputterd werd. Niet alle landen zijn gelukkig met het Nederlandse tempo naar ondubbelzinnige keuzes. Vooral Italië, een van de oprichters van de EG, voelt zich bedreigd. Italië vreest buiten de boot te vallen omdat zijn economie en overheidsfinanciën bij lange na niet voldoen aan de voorwaarden voor deelneming aan de slotfase van één munt, die nu beginnen uit te kristalliseren.

Bij monde van minister van financiën Guido Carli heeft Italië deze week in Brussel dan ook luidruchtig geprotesteerd omdat het niet tot de kerngroep behoort die in staat is de stap naar de laatste fase van EMU te maken. Het politieke debat over de Economische en monetaire unie is daarmee trefzeker gericht op de onvermijdelijke vraag of landen met een verschillend economisch profiel in staat zijn om één munt te omarmen. De recente ervaring met de Duitse eenwording heeft aangetoond hoe groot de kosten, sociaal en financieel, zijn als landen met een ongelijksoortige economie samengevoegd worden onder de paraplu van één harde munt.

IN DE Europese Gemeenschap speelt hetzelfde probleem en dit zal alleen maar groter worden als de EG zich de komende jaren openstelt voor nieuwe leden, in het bijzonder de voormalige communistische landen in Midden-Europa. Eén munt vereist een grote mate van economische gelijkgezindheid en die is niet af te dwingen. Het is uitgesloten dat een palet van Griekenland tot Polen en van Portugal tot Zweden zich onder één munt schaart.

Het vooruitzicht dat Europa in twee snelheden zal overgaan op een gemeenschappelijke munt is daarom in grote lijnen geaccepteerd - ook door de huidige twaalf EG-landen en door de Europese Commissie. Ze beseffen allemaal dat het onmogelijk is om landen met grote verschillen in economische ontwikkeling, inflatie, stabiliteit van hun munt en financieringstekort samen te voegen in één monetair systeem dat in wezen een Europese voortzetting zal zijn van het strenge Duitse monetaire beleid.

Omgekeerd valt er veel voor te zeggen om de rol die de Duitse mark nu speelt als anker in Europa te verbreden, zodat een munt van een Europese kerngroep kan fungeren als monetair houvast voor de omringende landen. Deze landen hebben dan een baken waarop ze hun macro-economische stabiliteit kunnen afstemmen - zonder de verplichting om aan strenge eisen te voldoen en met de vrijheid om hun munt in waarde te laten afwijken.

ALS HALFJAARLIJKSE EG-voorzitter heeft minister Kok van financiën deze dwingende keuzes aan zijn Europese partners voorgelegd en het was van te voren bekend dat dit voor sommige landen pijnlijk zou zijn. Het oogt niet positief om naar de tweede rang van de Europese economische en monetaire unie te worden verwezen. Maar niemand in Europa heeft belang bij een monetaire eenwording gebaseerd op slappe afspraken of vrijblijvende politieke slogans.

De stap naar een EMU van twee snelheden is in feite al gemaakt, het gaat er nu om hoe dit voor alle EG-landen politiek verteerbaar kan worden gemaakt. Dat zal van Kok een grote Europese inzet vragen en het gevaar bestaat dat hij deze onvoldoende kan opbrengen omdat hij onevenredig veel energie moet besteden aan de afdelingsvergaderingen van de PvdA over de WAO. Maar Kok kan de Europese dimensie van zijn functie niet verwaarlozen. De diplomatieke vaardigheid van Nederland wat betreft de Economische en monetaire unie zal blijken op de Europese top in december in Maastricht.