Minder studenten uit arbeidersmilieu

ROTTERDAM, 11 SEPT. Aan de universiteiten is het percentage studenten uit de "arbeidersklasse' gedaald van 16 procent in 1984 tot elf procent in 1990.

Het aantal kinderen uit de zogeheten "lagere' sociale milieus dat na de middelbare school nog onderwijs volgt daarentegen is de laatste jaren sterk gestegen. Hun aandeel in het studentenbestand van het middelbaar en hoger beroepsonderwijs nam sinds 1986 sterker toe dan dat van kinderen uit de hogere milieus.

Dit zijn enkele uitkomsten van het onderzoek dat het Leidse bureau Research voor Beleid heeft gedaan voor minister Ritzen (onderwijs). Het onderzoek maakt deel uit van de verplichte evaluatie van de wet op de studiefinanciering. Deze week is het concept-onderzoeksverslag aan de minister voorgelegd.

De onderzoekers wagen zich niet aan harde uitspraken over de invloed van het in 1986 ingevoerde beurzenstelsel op de ontwikkeling van het studentenbestand. Zij sluiten niet uit dat die gang van zaken zich ook had voorgedaan als er niets was veranderd aan de studiefinanciering. Uit een enquête die zij hielden onder 2.400 studenten die in de afgelopen jaren studiefinanciering kregen blijkt wel dat bij een kwart van de ondervraagde studenten de studiefinanciering een rol heeft gespeeld bij hun keuze verder te studeren. De hoogte van de studiefinanciering speelt daarbij een belangrijke rol. Naarmate het bedrag dat ze kunnen krijgen van de Informatiseringsbank hoger is heeft de studiefinanciering daarbij een belangrijker rol gespeeld. De onderzoekers concluderen daaruit dat sinds 1986 de studiefinanciering vooral op kinderen uit de "lagere' sociale milieus een positieve invloed heeft gehad: zij ontvangen immers doorgaans een hoger bedrag aan studiefinanciering.

Slechts een klein deel van de ouders betaalt hun kinderen zo veel dat zij maandelijks kunnen beschikken over het in de wet vastgelegde "normbudget' en dat wel beschikbaar is voor de ongeveer drie procent van de studenten die aanspraak kunnen maken op volledige studiefinanciering (basisbeurs, lening en aanvullende beurs). Iets meer dan veertig procent van de studenten die op kamers wonen en 16 procent van de thuiswonenden krijgen van hun ouders het bedrag dat deze volgens de wet behoren bij te dragen. Bijna een derde van ouders die een bijdrage horen te leveren betaalt echter niets. Het meebetalen aan de studiekosten is volgens vrijwel alle ondervraagde studenten voor hun ouders financieel geen probleem.

Bijna 70 procent van de studenten heeft een baantje. Mede daardoor kan zo'n 60 tot 70 procent toch beschikken over het normbudget (ƒ 1.053 voor de student op kamers en ƒ 718 voor de thuiswoner).