Malaise in culturele betrekkingen met België is schuld Nederland; De Nederlandstalige cultuurgemeenschap is klein. We zullen dus alle zeilen moeten bijzetten om onze culturele identiteit te handhaven

Als de ernst van iemands ziekte kan worden afgemeten aan het aantal doktoren aan zijn bed, dan zijn de Nederlands-Vlaamse culturele betrekkingen er wel heel slecht aan toe. Het afgelopen half jaar immers hebben zich diagnostici en therapeuten om het ziekbed verdrongen. Over de te volgen therapie lopen de meningen uiteen.

De stroom van culturele uitwisselingen en samenwerkingsactiviteiten tussen democratisch geregeerde landen verloopt altijd in twee hoofdbeddingen: via het particuliere intiatief en door toedoen van de overheid. Dank zij het directe nabuurschap en de eenheid, niet alleen van taal maar in hoge mate ook van cultuur, is het aandeel van het particulier initiatief in de Nederlands-Vlaamse culturele betrekkingen groot. Dat komt vooral tot uiting bij de podiumkunsten, in het bijzonder het theater.

Maar toch is de overheid onmisbaar, als initiator, als coördinator, en vooral als subsidiegever. Dat geldt zeker voor de Nederlandse kant, waar vrijwel het hele culturele leven wordt gevoed door een fijnmazig netwerk van subsidies.

Zoals alle door de overheid bevorderde culturele betrekkingen met een ander land, ligt ook aan de Nederlands-Vlaamse een tussen regeringen gesloten samenwerkingsovereenkomst ten grondslag. Meestal berust die op een raamverdrag, dat alleen de hoofdlijnen van de beoogde samenwerking en uitwisseling aangeeft. In het onderhavige geval is dat een verdrag uit 1946, toen België nog een centraal bestuurde eenheidsstaat was. Sedert de grondwetswijziging van 1970 is België evenwel in fasen een federatie geworden, wat onder meer inhoudt dat de drie taalgemeenschappen, de Nederlandstalige (Vlaamse), de Franstalige en de Duitstalige op cultureel gebied volledige autonomie hebben verkregen. Op het culturele vlak wordt dan ook niet meer onderhandeld met de Belgische centrale regering, maar met de drie taalgemeenschappen afzonderlijk.

Dat het culturele verdrag van 1946 formeel is verouderd, daar valt in de praktijk mee te leven. Maar ook inhoudelijk beantwoordt het niet meer aan de eisen van het heden: gebieden zoals technologie, informatica, media, worden niet door het oude verdrag bestreken. Er wordt dan ook al jaren geroepen om de nodige aanpassing.

Op twee belangrijke terreinen, die van de taal en de letteren, heeft die aanpassing overigens al zeven jaar geleden zijn beslag gekregen, als gevolg van de inwerkingtreding in 1984 van de Nederlandse Taalunie, die in 1980 was opgericht. De Taalunie is een unieke organisatie, die bij verdrag door de Nederlandse en de Vlaamse regeringen is belast met de zorg voor de Nederlandse taal en letteren in de brede zin van het woord, zowel binnen als buiten het Nederlandse taalgebied. Beide regeringen hebben daartoe delen van hun regelgevende bevoegdheden en van de vereiste middelen aan geld en personeel aan de Taalunie overgedragen. Die heeft voor de uitvoering van haar taken een in Den Haag gevestigd Algemeen Secretariaat, met Nederlandse en Vlaamse medewerkers, onder leiding van de Vlaming Oscar de Wandel. Het Algemeen secretariaat is ondergeschikt aan de leiding van de Taalunie, het "Comité van Ministers', waarin de Nederlandse en Vlaamse ministers voor cultuur en voor onderwijs zitting hebben. Daarnaast is er een adviserende "Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren' en een "Interparlementaire Commissie', die namens de respectieve volksvertegenwoordigingen toezicht uitoefent.

Er is veel kritiek op het functioneren van de Taalunie, waarbij, ons inziens ten onrechte, de beschuldigende vinger vooral wordt uitgestoken naar het kleine Algemeen Secretariaat.

En dan bestaat er sinds kort een derde hoofdinstrument voor culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen, het eind vorig jaar door de ministers van onderwijs in Gent gesloten accoord voor samenwerking op het gebied van hoger onderwijs en wetenschapelijk onderzoek.

Nederland en Vlaanderen zitten dus met een cultureel verdrag dat nodig up-to-date moet worden gebracht, met een stroef functionerende Taalunie en met het ambitieuze Gentse plan, dat nog moet bewijzen dat het werkt. En dat, terwijl de ontwikkelingen in Europees verband om nauwe samenwerking schreeuwen. Zelfs met twintig miljoen inwoners is de Nederlandstalige cultuurgemeenschap een kleintje in vergelijking met de ons omringende culturen, en we zullen dan ook alle zeilen moeten bijzetten om onze culturele identiteit te kunnen handhaven.

Dat dit besef begint door te dringen blijkt uit het grote aantal studies het afgelopen jaar aan de Nederlands-Vlaamse culturele betrekkingen gewijd: door het Algemeen Nederlands Verbond, door een groep onder leiding van oud-minister Van der Klaauw, in opdracht van beide regeringen. Door de Raad van de Taalunie en, eveneens over de Taalunie, door een door beide regeringen ingestelde Evaluatiecommissie, waarin onder anderen oud-minister Pais zitting had.

Deze heelmeesters hebben tientallen suggesties aangedragen voor verbetering van de situatie: organisatorische en inhoudelijke, realistische en onrealistische. Tot de laatste behoort de idee de Taalunie te belasten met het geheel van de onderlinge culturele betrekkingen. Laat de Taalunie eerst maar eens haar huidige mandaat goed uitvoeren, met een minimum aan bureaucratie.

Waar geen enkel onderzoeksrapport van gewaagt - durft te gewagen? - maar waar alle ingewijden het over eens zijn: de werkelijke oorzaak van de chronische malaise in onze culturele betrekkingen ligt bij de Nederlandse bewindslieden. Bij een minister van O en W die met grote klompen door de porseleinwinkel stampt, en bij een onwillige of onmachtige minister van WVC, die op gezag van haar ambtelijke adviseurs een gemeenschappelijke cultuur niet erkent, en wier ambtenaren uitmunten in het op de lange baan schuiven van samenwerkingsprojecten. Dat treft niet alleen de Taalunie. Heeft iemand de laatste tijd nog iets gehoord van een gemeenschappelijke deelneming aan de boekenbeurs in Frankfort of van een gemeenschappelijk instituut in Brussel, of van een opvolger van de door de overheid om zeep geholpen Stichting voor Vertalingen, of van een aan de Kamer in het vooruitzicht gesteld Nederlands-Vlaams cultureel tijdschrift voor het buitenland?