Kok maakt met EMU geen sterke indruk

DEN HAAG, 11 SEPT. Iedere keer als minister van financiën Wim Kok op kritiek stuit, neemt hij gas terug. Dat deed hij in Nederland bij de besluitvorming rondom de WAO en dat deed hij afgelopen maandag in Brussel tijdens een bijeenkomst van EG-ministers van financiën over de EMU, de Economische en monetaire unie die moet leiden tot een gemeenschappelijke Europese munt.

Tot verrassing van zijn ambtelijke medewerkers krabbelde Kok terug toen vooral bij monde van Italië luidruchtig verzet kwam op een Nederlands discussievoorstel om de finale stap naar één munt te maken met een beperkte groep landen die aan strenge financieel-economische criteria voldoen. Volgens zegslieden had Kok gekozen voor een voorzichtige opstelling waarbij hij “de temperatuur van het water” wilde voelen door een aantal provocerende vragen over EMU aan zijn collega's voor te leggen en te horen hoe ze hierop zouden reageren.

Toch heeft Koks optreden in Brussel, zijn eerste na de zomer van de WAO en de PvdA-crisis, geen sterke indruk achtergelaten. Dat steekt des te meer omdat deskundigen van mening zijn dat de voorstellen, die Nederland maandag presenteerde, in hoofdlijnen gesteund worden door de drie EG-landen waarom het in de EMU-onderhandelingen gaat: Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Nederland zal op 21 oktober een ontwerptekst voor de Economische en monetaire unie indienen, dat in essentie hetzelfde is als het voorstel waarvan Kok eergisteren in Brussel haastig afstand nam.

De verwarring die Kok daarmee schiep behoort volgens een Brusselse ingewijde tot zijn vaste reactiepatroon op kritiek, ook al was de Italiaanse verontwaardiging door iedereen voorzien. Het was zeker niet het gevolg van onvoldoende voorbereiding van het EMU-dossier. “Hij deed hetzefde bij de WAO. Daar kun je toch ook niet van beweren dat hij onvoorbereid was”, aldus deze Brusselaar.

Een aantal belangrijke hordes is inmiddels genomen. Zo is overeenstemming bereikt over de status van de monetaire instelling die op 1 januari 1994, bij het begin van de zogenoemde tweede fase van de EMU, in het leven zal worden geroepen. De verwarde tekst van de Europese top in Rome, eind 1990, had hierover grote onduidelijkheid geschapen. Het idee dat op die datum al een Europese centrale bank kan worden opgericht die geen werkelijke bevoegdheden heeft, is door alle landen behalve Italië losgelaten.

Er zal eerst een Europees monetair instituut komen, een voorloper van de ECB die pas zal worden opgericht als de deelnemende landen de echte overstap naar één munt en één monetair beleid maken. Dit monetaire instituut krijgt beperkte, coördinerende bevoegdheden en zal zijn samengesteld uit de 12 centrale bankpresidenten van de EG.

Veel gevoeliger ligt de kwestie of alle EG-landen tegelijk moeten overgaan op één munt, of dat slechts landen die hun financieel-economische beleid in hoge mate op elkaar hebben afgestemd, deze stap kunnen maken terwijl andere landen later aanhaken. De principiële keuze voor een EMU van twee snelheden is deze zomer gemaakt op een bijeenkomst van de ministers van financiën in Luxemburg.

Het Nederlandse voorzitterschap kreeg daarmee de ondankbare taak om de criteria voor te stellen waaraan landen moeten voldoen om “in de voorste koets” te mogen stappen, zoals een betrokkene zegt. Criteria betekenen uitsluiting van sommige landen en dat is pijnlijk.

Over een aantal uitgangspunten bestaat inmiddels overeenstemming: - geen enkel land mag een veto uitspreken - geen enkele land wordt gedwongen mee te doen - er mag geen sprake zijn van uitsluiting op willekeurige gronden.

Daarmee is nog niet aangegeven hoe landen worden beoordeeld of ze de overstap naar één munt kunnen maken. De sterke EG-landen - Duitsland voorop, maar ook Groot-Brittannië en zelfs steeds meer Frankrijk - zijn voorstanders van een strakke aanpak. Daarbij zouden de volgende criteria moeten gelden: - de munt van een land moet ten minste 2 jaar tot de smalle band van het EMS behoren - een land mag geen excessief begrotingstekort hebben, waarbij drie voorwaarden worden genoemd: de gulden financieringsgregel, het tekort mag niet meer dan 3 procent van het bruto nationale produkt bedragen en de staatsschuldquote mag niet hoger dan 60 procent van het bnp zijn - de inflatie mag niet meer dan 1,5 tot 2 procent afwijken van die in het land met de laagste inflatie.

Nog onopgelost is de manier waarop landen overgaan naar de slotfase van EMU. Nederland heeft voorgesteld, met Duitse rugdekking, dat minimaal zes landen op eigen initiatief de stap naar één munt kunnen maken. Dat is bij de landen die vrezen daardoor op een zijspoor te worden gezet, slecht gevallen en ook de Commissie (die formeel geen rol speelt) verzet zich daartegen.

Er wordt gezocht naar een formule waarbij alle landen formeel de overstap naar de laatse fase van EMU maken, maar waarbij voor landen die niet aan de strenge regels voldoen, een "ontheffing' geldt. In EMU-taal wordt gesproken van "derogatie'. In kinderspelletjes heet dat gewoon "voor spek en bonen meedoen'.