Kabinet hecht te veel waarde aan werk

Volgens vice-premier Kok zou het van fatalisme getuigen wanneer het beleid in Nederland in dalende arbeidsparticipatie zou berusten. Sterker: hij en het kabinet hanteren de mogelijk grotere deelname van nu nog inactieve personen aan het arbeidsproces als legitimatie voor de omstreden ingrepen in de WAO, werkloosheid, ziekteverzuim en koppeling.

Werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim zouden volgens de kabinetsplannen het best kunnen worden bestreden met verruiming van het begrip passende arbeid, strengere sancties bij het niet accepteren van aangeboden baan, beperking van de uitkeringsduur en hoogte voor de meeste WAO'ers en beboeting van zieteverzuim.

Wat in de discussie en commotie daarover tot nu onderbelicht is gebleven, is de vraag of de individuele situatie van betrokkenen en de structurele situatie op de arbeidsmarkt deze maatregelen wel kunnen verdragen.

Anders gezegd: is hier bij het kabinet sprake van een gezond realisme of van ideologisering van arbeid (overwaardering van arbeid, terwijl de omvang van het totale aantal arbeidsuren tussen 1964 en 1988 met vijfentwintig procent is afgenomen) en criminalisering van uitgestotenen uit het arbeidsproces (slachtoffers als medeveroorzakers van eigen situatie aanduiden)?

Om deze vragen te beantwoorden moet een onderscheid worden gemaakt tussen werkloosheid (en gedeeltelijk WAO'er zijn) op individueel niveau en werkloosheid en arbeidsmarktontwikkelingen op structureel niveau.

Uit een analyse op hoofdlijnen van onderzoeksgegevens van ongeveer zeshonderd werklozen (onder wie gedeeltelijk werkloze arbeidsongeschikken) uit Rotterdam, blijkt dat er een grote verscheidenheid is onder respondenten. Dermate groot dat ze grote overeenkomst lijken te vertonen met werkenden in de samenleving. Een conclusie die onder meer aangeeft dat werklozen relatief even maatschappelijk zijn als werkenden en derhalve niet als afwijkende categorie of deelcategorieën kunnen worden bestempeld.

Dit komt nog sterker naar voren in de reactie van werklozen op hun situatie, gemeten via arbeidsmarktvariabelen als inkomensstrategie, zoeken naar werk en verwachtingen over arbeid en inkomen. Binnen het geheel van verbanden in de gegevens kan aan genoemde reactie geen bepalende en geen dominante waarde worden toegekend; en dus ook niet in de typering van de werklozen.

Dat betekent populair uitgedrukt dat het werkloos zijn van de werkloze nauwelijks door hem zelf kan worden beïnvloed. Zijn werkloosheidssituatie wordt bepaald door bovenpersoonlijke aspecten zoals structurele werkloosheid en dus tekort aan banen, leeftijdsfase, arbeids-werkloosheidsfase, etniciteit, buurt en sociaal-culturele omgeving; en fysieke of psychische belemmering bij gedeeltelijk werkloze arbeidsongeschikten. Zaken waarop een individuele werkloze geen vat heeft. Een werkloze kan bijvoorbeeld zijn leeftijd of etniciteit nu eenmaal niet veranderen.

Kortom, het gedrag en de situatie van individuele werklozen en gedeeltelijk werkloze arbeidsongeschikten rechtvaardigt geen beleidsingrepen die hen (nog verder) benadelen. Individualisering van de werkloosheids- en reïntegratieproblematiek lijkt op dit moment dus het enige alternatief, maar dan op basis van motivatie en vrijwilligheid.

Deze bevindingen op individueel niveau blijken ook in lijn met de ontwikkelingen van arbeid en werkloosheid op structureel niveau.

Sinds de jaren zeventig is werkloosheid in plaats van conjunctureel een structureel verschijnsel geworden. De factor arbeid heeft sindsdien sterk aan invloed en centraliteit ingeboet. Blijken daarvan zijn onder meer een duurzaam tekort aan banen, een structurele arbeidsreserve van ongeveer 1,3 miljoen (ILO-definitie), afname van de arbeidsduur en toename van vrije tijd, een dalend arbeidsvolume in arbeidsuren sinds 1964 tot 1988 met circa vijfentwintig procent (ondanks de vele nieuwe (deeltijd)banen) en het uiterst minimaal en sjoemelend berekenen van de omvang van de werkloosheid.

Genoemde ontwikkelingen staan echter niet op zichzelf. Zij zijn in wezen de uitdrukking van het afnemende belang van de bijdrage van arbeid aan het totaal van de produktie, en daarmee van de afnemende centraliteit van arbeid als maatschappelijk samenbindende (en emanciperende) categorie. Dit is vooral het gevolg van vertechnologisering, automatisering (of verwetenschappelijking) van de produktie. Produktie zonder arbeid is sterk dominant geworden in relatie tot produktie met arbeid.

Een goed voorbeeld van de dominantie van de produktie zonder levende arbeid zijn de sectoren landbouw-veeteelt en energiewinning. In de aardgaswinning produceerden negenduizend werknemers (0,2 procent van het totale werknemersbestand) in 1987 nota bene zeven procent van de toegevoegde waarde in ons land. En 4,1 procent van de beroepsbevolking is in 1990 in de agrarische sector werkzaam, waarvan slechts 1,7 procent in loondienst, terwijl de toegevoegde waarde (bijvoorbeeld exportcijfers) eveneens enorm hoog is en in geen verhouding staat tot het aandeel werkenden.

Conclusie: grotere arbeidsparticipatie via reïntegratie van werklozen en gedeeltelijke WAO'ers lijkt niet langer tot de realistische mogelijkheden te behoren. Tenzij een rigoureuze herverdeling van arbeid via bijvoorbeeld arbeidstijdverkorting wordt ingezet. Pas in dat laatste geval kan een poging tot reïntegratie van sommige werklozen en arbeidsongeschikten weer een serieuze optie worden.

Zonder de nodige bijbehorende banen of arbeidstijdverkorting maakt het kabinet van zijn geplande grotere arbeidsparticipatie, via reïntegratie van delen van de werklozen- en arbeidsongeschiktenpopulatie, een wassen neus. En daarmee van betaalde arbeid een karikatuur van emancipatie. Maar tegelijk verliest het daarmee ook zijn geloofwaardigheid. Ideologisering van arbeid en de bezuinigingen afwentelen op "uitgestoten burgers' zal steeds minder worden geaccepteerd.

Wanneer volledige werklegenheid een haalbaar doel was, kon langs die weg de emancipatie van allerlei groepen inactieven worden bevorderd. Wanneer echter volledige werkgelegenheid een onhaalbare zaak is geworden, zal die emancipatie ook op andere manieren moeten worden bevorderd.