In tropische landen groeien dus de kamerplanten ...

In tropische landen groeien dus de kamerplanten buiten, en bovendien wel honderdmaal vergroot. Het lijkt of de jungle de rechte, smalle weg aan weerszijden opnieuw in beslag wil nemen.

Ze helt dreigend over het asfalt heen en laat kleine lianen aan haar voet alvast tastend het wegdek verkennen. Na drie uur rijden duiken uit het groen onverwacht mannen met kapmessen op. Daarna cabañas. Daarna meer mensen, meer huizen. Een dorp. Er scharrelen varkens in de berm. Een slager heeft langs de kant van de weg zijn koopwaar uitgesteld: op een houten tafel ligt, besprongen door vliegen, een bebloed karkas.

De eentonigheid van de weg heeft hongerig en slaperig gemaakt. Ik vraag een agent die op de veranda zit van wat het kantoor van politie moet zijn, of er wellicht een pension is. Dat is er, zegt hij. Merkwaardig genoeg komt hij meteen overeind. Hij loopt met me mee, maar houdt al om de hoek van de eerste steeg zijn pas in en kijkt me aan. Twintigduizend pesos dus. Hij hoeft het me niet uit te leggen. Het lijkt hem genoeg. Hij beduidt me te wachten.

Me verheugend over zijn voortvarendheid en de soepele gang van zaken - waar gesmeerd wordt, wordt niet gebeten - laat ik me enige tijd later, als hij weer om de hoek verschijnt, door hem wenken. “Daarachter”, zegt hij, wijzend op een reusachtige kamerplant. “Er is nog één kamer vrij.” Ik bedank hem en hij maakt zich uit de voeten. Bij de reusachtige kamerplant gekomen zie ik een half-afgebouwd huis. Er zitten geen deuren, geen luiken en geen sponningen in, zodat men er dwars doorheen kan kijken. Ik had het kunnen weten. “Er is nog één kamer vrij.” In dit dorp heeft in geen honderd jaar een reiziger naar een kamer gevraagd.

Ik wandel wat rond. Dan eerst maar een maaltijd. Een eethuis is het niet - er staan twee tafels en het echtpaar is bereid gevonden een toevallig nog aanwezige vis te koken of te bakken. De vrouw heeft zelf twee bleke visseogen die als ronde knopen op het ovaal van haar oogholte bungelen. De huid van de man is doorgroefd. Hij draagt een baseballpetje van rood plastic. Overal op de patio slingeren oude autobanden. Aan de rieten overkapping die krampachtig haar best doet iets van bescherming tegen de zon te bieden hangt een met verkleurd crêpepapier opgesierde Onze Lieve Vrouwe van Guadeloupe, de moeder van Mexico. Staartloze honden komen van de weg aangelopen en kruipen onder tafel. Ze voelen stug aan. Men ruikt het stilstaande water van een kreek.

Aan de andere tafel zitten wat ambtenaren uit de dichtstbijzijnde grotere gemeente die in dit dorp doen wat alle ambtenaren ter wereld doen - meters opnemen, penningen innen, fronsen boven formulieren. Waarna uitgebreid en langzaam eten. Ze hebben zojuist hun maaltijd beëindigd en zijn thans bezig met het rekken der beëindiging.

De taco's die ook hier in een uitgeholde kalebas, dichtgestopt met een vaatdoek, worden bewaard zijn op. En met een taco brengt men het eten naar zijn mond. De doorgroefde baas verzet zijn baseballpetje, spuugt op de grond en gaat, zonder veel fiducie, op zoek naar een vork die nog ergens - van heel lang geleden - zou kunnen liggen. Hij doet daar zo lang over dat zelfs de ambtenaren er in slagen hun beëindiging te beëindigen. Ze laten hun krant op tafel liggen, de laatste Novedades de Quintana Roo. Ik lees, op de achterpagina met de gemengde nieuwtjes, dat de politie een week geleden in een dorp in deze provincie paniek heeft veroorzaakt. In een nog kleiner gat blijkbaar, want zonder lokale Bromsnor. De agenten van buitenaf waren met een arrestatiebevel gekomen voor een van de dorpelingen. Een zekere Benito Zarate Rojas. Niemand wilde hun vertellen waar hij uithing. Ze doorzochten meerdere huizen, plunderden die in één adem door en wilden er vandoor gaan met 15 miljoen pesos.

Uit verontwaardiging daarover schoten de dorpelingen de commandant van de agenten dood. Een half dag later keerden zijn mannen met versterking terug, verkrachtten de vrouwen van het dorp, vermoordden drie jongens en vertrokken met medeneming van enkele open bestelwagens en de enige personenauto die het dorp rijk was. De dorpelingen, aldus de krant, hadden onmiddellijk een beroep gedaan op de provinciale gouverneur. Tot op gisteren had men van die zijde nog geen reactie mogen vernemen.

Maar de vork is er gelukkig.