Het zwaktebod van Vermeend

Wie moet de hoge rekening betalen van het overheidsapparaat en van de sociale verzekeringen?

Vanouds geldt een tweedeling. Het in stand houden van de overheid behoort tot de collectieve verantwoordelijkheid van alle Nederlanders. Iedereen moet daaraan meebetalen. Naarmate men meer verdient, moet men een groter percentage van zijn inkomen afstaan aan de schatkist. Dat is de progressieve inkomstenbelasting. Daarnaast zijn er nog andere belastingen, zoals de BTW, die niets met het inkomen te maken hebben.

Overigens heeft Nederland internationaal gezien een goedkope rijksoverheid. Bovendien liggen de kosten van ons ambtenarenapparaat, afgezet tegen het Nationaal inkomen, al twintig jaar op hetzelfde peil. Alleen onze nationale rentelast rijst de pan uit. Relatief gezien is deze in die twintig jaar verdubbeld.

Voor het in stand houden van onze sociale zekerheid betalen de mensen die van deze voorzieningen profiteren. WAO-premie wordt alleen betaald door degenen die bij arbeidsongeschiktheid recht hebben op een uitkering. Aan het ziekenfonds betalen uitsluitend de mensen mee die daadwerkelijk een beroep op deze voorziening kunnen doen. Kortom men betaalt min of meer naar het profijt dat men heeft, al wordt er soms toch wat rekening gehouden met de draagkracht van de burgers. Toch zijn de heffingen over het geheel genomen degressief: naarmate men meer verdient, is men een kleiner deel van zijn inkomen kwijt aan de sociale verzekeringen.

Dat is in grote lijnen de maatschappelijk aanvaarde lastenverdeling. De lagere inkomens raken slechts een klein deel van hun inkomen kwijt aan de fiscus, maar een veel groter deel aan hun sociale voorzieningen. Daarom draaien vooral de hogere inkomens op voor de uit de hand gelopen rentelasten, terwijl de lagere inkomens de rekening gepresenteerd krijgen voor de even hard uit de hand gelopen sociale zekerheidsuitgaven. Om de zaak weer recht te trekken zijn fikse ingrepen nodig.

Een verwijt van politici in de richting van wetenschapsmensen is dat er onvoldoende cijfermateriaal is voor goede politieke beslissingen. Daarom is een wetenschappelijk onderzoek naar de werkelijke drukverdeling van belastingen en premies bijzonder welkom.

Een gisteren door een Groningse hoogleraar gepresenteerd onderzoeksresultaat is evenwel teleurstellend. Het ging niet zozeer om een waardevrije wetenschapsbeoefening alswel om een handreiking aan minister Kok door een suggestieve presentatie van feiten en cijfers.

Een vreemde ambitie voor een wetenschappelijke instelling? Zeker, maar wel begrijpelijk voor wie de betrokken hoogleraar kent. Deeltijdprofessor dr. W.A. Vermeend, die de onderzoeksresultaten gisteren in zijn inaugurele rede in Groningen bekend maakte, heeft als hoofdberoep het Kamerlidmaatschap voor de PvdA. Als fiscaal specialist van de fractie identificeert hij zich met de zorgen van minister- partijleider Wim Kok. Vermeends onderzoek kon trouwens alleen worden uitgevoerd met met de welwillende medewerking van Koks ministerie. De onderzoeksresultaten zijn geïnterpreteerd op Vermeends werkkamer op het Binnenhof en niet in een professoraal studeervertrek. En dat is te merken.

Zonder blikken of blozen negeert Vermeend het hiervoor beschreven onderscheid tussen belastingen en sociale verzekeringspremies. Hij telt ze zonder meer bij elkaar op. Pas halverwege zijn rede merkt hij "volledigheidshalve' op dat er ook een "andere denkrichting' bestaat waarvan hij "geen aanhanger' is.

De gezamenlijke druk van belastingen en premies becijfert hij voor de laagste inkomens op dertig procent. Vermeend vindt het (politiek of wetenschappelijk) onrechtvaardig dat deze druk voor de hogere inkomens in de praktijk niet boven de vijftig procent uitkomt. Van de progressie van de inkomstenbelasting (met tariefgroepen oplopend van dertien tot zestig procent), blijft zo naar zijn smaak te weinig over. Hij wil daarom een deel van de premiedruk van de lage naar de hogere inkomens verschuiven. Dat doet hij door het profijtbeginsel aan de sociale zekerheid te ontnemen en haar tot collectieve verantwoordelijkheid te verklaren.

Van protesten bij de hogere inkomens wil Vermeend niet horen want die zouden door een royaal gebruik van veel aftrekposten toch al beter af zijn dan de "koopkrachtplaatjes' suggereren. Aftrekposten vormen evenwel een onderdeel van een rechtvaardige belastingheffing en zijn geen onbedoelde fiscale cadeautjes zoals Vermeend ze afschildert.

Frappant is dat Vermeend de belastingdruk van de lagere inkomens noemt zonder zelfs maar te verwijzen naar de matigende effecten van bij voorbeeld huursubsidie. Wel merkt hij op dat de topinkomens van de "Oort-operatie' (een recente belastingherziening) driemaal zo veel hebben geprofiteerd dan de minima. Dat de hoogstbetaalden toch jammeren over een torenhoge belastingdruk noemt Vermeend een "collectief misverstand'. Slechts 3,5 procent van de belastingbetalers (333.000 mensen) komt - al is het maar voor één gulden - toe aan het fiscale toptarief van zestig procent.

Vermeend ziet al met al aanleiding voor het nivelleren van inkomens boven de 60.000 gulden door een bijdrage te vragen voor sociale verzekeringen waar de betrokkenen vaak niet van kunnen profiteren. Het zo vergaarde geld gebruikt hij voor een lastenverlichting bij de lagere inkomens, wat tot meer werkgelegenheid moet leiden (en minister Kok uit de WAO-problemen haalt).

Het is een simpele waarheid dat men bij uit de hand gelopen sociale zekerheidsuitgaven, die uitgaven moet beperken en niets oplost door de lasten te verschuiven. Professor Vermeend toont bij de frontale aanpak van de ontspoorde sociale zekerheid plotseling heel wat minder daadkracht. Hij pleit voor "een gedegen onderzoek naar de vernieuwing van ons stelsel voor sociale zekerheid' met een "zorgvuldige analyse van de financiering'. Het stelsel "moet bij tegenwind betaalbaar blijven', maar moet toch "rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak'.

Het is tekenend dat hoogleraar terugvalt op inhoudsloze retoriek zodra hij is aangeland bij het probleempunt dat zijn partij verscheurt. De inkomensnivellering die hij bepleit, is een panacee uit vervlogen jaren. De nieuwe presentatie met een semi-wetenschappelijk sausje verandert daar niets aan.

In de zeven jaar van zijn Kamerlidmaatschap, heeft Vermeend uitgeblonken door het creatief gebruik van de belastingwetgeving bij het verwezenlijken van de doeleinden van zijn partij. Hij heeft in die tijd zes initiatief-wetsvoorstellen gedaan, waaronder het succesvolle werkgelegenheidsplan Vermeend-Moor. Zijn zwaktebod van gisteren, markeert de machteloosheid van de PvdA bij het vinden van alternatieven voor de huidige bezuinigingsplannen.