Cuba is verdoofd na val Sovjet-imperium

Fidel Castro heeft het benauwd. De omwenteling in de Sovjet-Unie heeft de relatie met trouwe bondgenoot Cuba op scherp gesteld. De Russische hulp staat op losse schroeven.

Na het falen van de staatsgreep in Moskou - en de ineenstorting van het communisme in de Sovjet-Unie - zouden voor Fidel Castro wel eens barre tijden kunnen aanbreken, met voor Cuba wanhopiger vooruitzichten dan ooit.

Tijdens de campagne voor de Russische presidentsverkiezingen, afgelopen mei, oogstte Boris Jeltsin zelden groter bijval dan met de belofte de hulp aan Cuba en andere van de Sovjet-Unie afhankelijke landen te staken. Inmiddels is Jeltsins macht enorm gegroeid, en zitten sommigen van Cuba's trouwste vrienden achter de tralies.

Veel Sovjet-burgers zien Cuba en de Cubanen al een tijdlang als paria's. Melba (25), onlangs teruggekeerd na een vijfjarige ingenieursstudie in de Sovjet-Unie, zegt dat de Sovjet-studenten hun Cubaanse studiegenoten wel eens fysiek aanvielen. De studenten weten de armoede in de Sovjet-Unie aan de ontwikkelingshulp voor Cuba, zegt ze. Voor hen was Fidel Castro gewoon een dictator.

Castro leek door de coup te zijn verrast en Cuba is verdoofd nu deze is mislukt. De regering in Havana wachtte twee dagen en kwam toen met een neutrale verklaring over haar “bezorgdheid”.

De Amerikaanse president George Bush verklaarde vorige week dat de Cubaanse leider wel zou “zitten zweten”. En over Jeltsin zei Bush: “Hij is iemand die wat betreft kwesties zoals de beëindiging van de hulp aan Cuba aan onze kant” staat.

De Spaanse premier Felipe Gonzalez zou na een recent bezoek aan Moskou tegen Castro hebben gezegd dat Jeltsin vastbesloten is een eind te maken aan de gesubsidieerde ruil van ruwe Sovjet-olie tegen Cubaanse suiker. De handel met de Sovjet-Unie maakt 75 procent van de Cubaanse buitenlandse handel uit. Al sinds meer dan een jaar bereidt Cuba zich op zulke eventualiteiten voor met een versoberingsprogramma onder de naam ”speciale periode in vredestijd': een aantal tractoren is door trek-ossen vervangen en het meeste voedsel is gerantsoeneerd.

Er wordt een nog drastischer ”nuloptie'-plan achter de hand gehouden voor als de aanvoer van Sovjet-olie daadwerkelijk stagneert. In Havana gonst het van de geruchten dat bij de ”nuloptie' de rantsoenen worden vervangen door gaarkeukens.

Cuba zet zich al enige tijd schrap om de ergste klappen op te vangen en bidt dat de Sovjet-Unie de navelstreng met gesubsidieerde olie niet zal doorsnijden. Vorig jaar hebben de Sovjets, die moeizaam proberen in hun buitenlandse transacties over te schakelen op harde valuta, de hoeveelheid olie in ruil voor Cubaanse suiker met 24 procent verminderd. Dit jaar zeggen de Sovjets ongeveer dezelfde hoeveelheid ruwe olie te zullen leveren als vorig jaar. Maar over het eerste halfjaar van 1991 is de totale handel met Cuba met rond de 25 procent geslonken, en de Cubaanse handel met de voormalige Oostbloklanden is praktisch geheel gestaakt.

Voor de coup van vorige week hebben Sovjet-functionarissen nog gezegd dat hun land een aanzienlijke handel met Cuba zou blijven drijven, om geen harde valuta te hoeven spenderen aan suiker, nikkel en andere produkten van niet-Cubaanse herkomst. “In de handel zijn er geen revoluties, alleen evoluties”, aldus Alexander N. Shajov, internationaal handelsdeskundige in Havana.

Maar dat zal dit keer misschien niet opgaan, gezien de omstandigheden. Volgens Reuters berichtte de Cubaanse staatsradio dat de veranderingen in de Sovjet-Unie “een duidelijk effect op ons land” zullen hebben. Jorge Dominguez, vooraanstaand Cuba-kenner aan Harvard University, zegt niet verbaasd te zullen zijn als de Sovjet-leiders binnenkort concluderen dat Cuba geen bevriende natie is, en dienovereenkomstig handelen - misschien door de geldende handelsovereenkomst op te zeggen.

“De nuloptie is veel dichterbij gekomen”, zegt Dominguez Jiri Valenta, directeur van het Instituut voor Sovjet- en Oosteuropese Studies aan de universiteit van Miami. Hij windt er geen doekjes om: “Alle hulp aan Cuba stopt. Dat is een kwestie van dagen of weken.”

Pag 18:

Castro's revolutie verandert in strijd om bestaan

In de haveloze San Lazarostraat in Havana, een paar straten van de statige trappen van het universiteitsgebouw, zie je opeens voor ogen wat de ”nuloptie' brengen zal. Niemand heeft hier in twee maanden een stuk vlees gezien. Dus als op een keer het gerucht de ronde doet dat er vlees en vis te krijgen zijn, vormt zich een rij van veelal bejaarde vrouwen met versleten boodschappentassen voor een zwak verlichte, lege kruidenierswinkel.

Om negen uur komt een bejaarde man met een plat hoedje op de winkel uit schuifelen met in zijn hand een papieren zak vol visjes. “Ik heb sinds vier uur vanmorgen staan wachten”, vertelt Mario, een gepensioneerde bouwvakker die zoals de meeste mensen hier geen zin heeft om zijn achternaam voor publicatie vrij te geven. Een vrouw die toekijkt hoe hij een vis uit de zak tilt, geeft commentaar: “Als je de kop erafhaalt en hem schoonmaakt, word je er nauwelijks wijzer meer van. Straks hebben we alleen nog zand te eten.”

Een straat verderop staat een rij tot om de hoek. Hier wachten de mensen bedrukt op hun rantsoen dagelijks brood - één taai puntje van schaarse Russische importtarwe. Verderop in de straat staat de lange rij voor aubergines, de groente van de dag, en nog een rij voor melk.

Meestal lijkt het leven in Cuba een soort Wachten op Godot, gespeeld door tien miljoen mensen die hun leven wachtend doorbrengen. De rantsoenen zijn geslonken tot 2,2 kg rijst per maand, vijf eieren per week en om de negen dagen een kwart kip per persoon. Als de rantsoenen op zijn of er is een tekort, wat vaak gebeurt, wachten de mensen soms twee uur lang op hun portie koolhydraten in de vorm van goedkope, vieze pizza's. Ook staan er veel mensen op de wachtlijst om naar de VS te mogen emigreren, maar dat land reikt geen bezoekersvisa meer uit, waarschijnlijk om Castro onder druk te zetten.

En nu Castro's revolutie verandert in een strijd om het bestaan, wachten de Cubanen vooral wanhopig op een verandering in de leefomstandigheden, hoewel die van Castro niet te verwachten zijn, lijkt het. “Een revolutie als de onze verandert niet haar naam of idealen...,” herhaalde een halsstarrige Castro vorige maand nog weer eens voor duizenden Cubanen in een ellenlange, tweeënhalf uur durende redevoering. “Laten ze bij ons niet aankomen met verhalen over kapitalisme, een markteconomie en al dat soort gekkigheid.”

Hoewel de mensen die je hier spreekt de vraag stellen hoe lang het zo nog door kan gaan, zou het antwoord wel eens kunnen luiden: nog een hele tijd. “Iedereen wil dat er iets gebeurt”, zegt een psychologe in haar werkkamer vol boeken met uitzicht op de zoveelste rij mensen die wacht op etenswaren, “maar niemand wil iets doen”. Nelly (41), een gescheiden arts met twee kinderen, zegt: “Wij zijn de kinderen van de slechte behandeling. Wij wennen aan alles.”

Hoewel geobsedeerd door de vrees voor honger wordt de Cubaanse samenleving nog steeds gedomineerd door de persoon van Fidel Castro - en verlamd door de angst voor zijn geheime politie, die overal aanwezig zou zijn. Het regime is erin geslaag de onderdrukking te internaliseren. In ieder blok huizen is er een Comité voor de Verdediging van de Revolutie, dat notities bijhoudt van de komende en gaande man. Op een paar dissidenten na die menen dat ze weinig te verliezen hebben, is dit nog steeds een land van anonieme mensen, die niet in het openbaar hun mening durven zeggen.

Castro, nu 32 jaar aan de macht, is hier nog altijd een kolossale figuur, hoezeer hij ook is vervreemd van de jongeren en van de vroegere communistische wereld waar zoveel veranderd is. Bijna zestig procent van de bevolking is geboren nadat hij in 1959 aan de macht kwam. “Hij is gek”, zegt een 30-jarige toneelschrijver. “Hij is seniel”, zegt Melba, de in Rusland afgestudeerde ingenieur.

Maar in één adem voegt Melba er aan toe dat ze zou ”sidderen' als Castro de kamer zou binnenkomen. “Ik bewonder hem nog steeds”, zegt een 22-jarige collega van haar. En ondanks de ontberingen voelen vooral veel oudere Cubanen nog altijd een diepgewortelde loyaliteit jegens de onbuigzame leider.

Wat veranderingen ook tegenhoudt is de zenuwslopende passiviteit en onzelfstandigheid die de regering aankweekt. Hoewel ze klagen over de tekorten, zijn de Cubanen toch bang voor het onbekende - en voor de val van een systeem dat tal van zonen van kleine boeren tot artsen heeft gemaakt en dat voorziet in onderwijs, gezondheidszorg en misschien wel in de eerste plaats een baan, zij het geen werk, voor iedereen.

Met dat al is de Cubaanse regering kennelijk bezorgd dat aanhoudende economische verslechtering tot explosieve gevolgen kan leiden. Onlangs heeft de regering de Cubanen ertoe aangespoord, met wisselend succes, zich aan te sluiten bij revolutionaire waakzaamheidscomités met de omineuze naam ”snelle-actie-detachementen' die ontevredenen moeten bekeren van hun dwalingen.

“Ze legden uit dat het niet om een burgeroorlog ging of zo iets”, vertelt Alejandro, een jonge monteur die door zijn moeder voor zo'n detachement is opgegeven. Als battaljonslid, zegt hij, wordt hij geacht de revolutie te verdedigen telkens wanneer iemand die in het openbaar kritiseert. Zou hij geweld gebruiken? “Als het even kan, druk ik mijn snor,” zegt hij.

Toch boezemen de speciale detachementen angst in. Elizardo Sanchez, hoofd van een van de kleine actiegroepen voor de mensenrechten in Havana, zegt er niet aan te twijfelen dat de detachementen als dekmantel voor de geheime politie zullen worden gebruikt bij het neerslaan van protestacties. Sanchez, wiens actiegroep slechts 32 leden telt, waarschuwt dat hoe langer de crisis blijft smeulen, hoe meer het gevaar van geweldpleging groeit. “Er is te veel haat opgehoopt in het hart van de Cubaanse samenleving”, zegt hij.

Een broodoproer zou in gewelddadigheden kunnen omslaan. Laaiende ruzies tussen wachtenden in rijen zijn aan de orde van de dag. Veel gezinnen in Havana geven op dat ze maar één keer per dag eten. En terwijl scholen en veel werkgevers een lunch serveren, geven sommige fabrieken en kantoren het personeel eerder vrij om geen maaltijd te hoeven verschaffen. In Havana doet een recept de ronde voor een ”biefstuk' van gekookte en gepaneerde grapefruitschil. “We kreperen niet, maar leven doen we ook niet”, aldus een jonge theaterdirecteur. Manuel Davis, voormalig functionaris bij het ministerie van buitenlandse zaken, zegt: “Er heerst een obsessie voor eten, er hangt een gespannen sfeer om eten”. Maar anders dan in andere Latijnsamerikaanse landen met geldzorgen, zo gaat hij verder, verhongert hier niemand. “Iedereen in Cuba krijgt dagelijks een stuk brood.”

Om de spijs te vermenigvuldigen kent de regering de agrarische sector topprioriteit toe. Sinds de versobering is ingegaan, meer dan een jaar geleden, zijn tienduizenden Cubanen, variërend van ambtenaren tot studenten, vrijwillig perioden van twee weken op het land gaan werken. Er bestaan plannen om permanente woondorpen te bouwen voor 5.000 nieuw geworven landarbeiders die uit de stad worden aangevoerd. “Na minimaal één of twee jaar zou dat resultaat moeten opleveren”, aldus Davis.

Maar zelfs die bescheiden verwachting lijkt twijfelachtig. “We planten minder dan vroeger en oogsten minder dan vroeger”, zegt een voorman op een boerderij in San Antonio de los Banos, een provincieplaats niet ver van Havana. Als gevolg van de moeilijke tijden stelen de permanente landarbeiders meer gewassen, zodat er minder in de steden aankomt. En ook het vrijwilligerscircuit kent zijn limieten.

Staande in de vette, rode kleigrond van een grote staatsboerderij in Guira de Melena zegt vice-bedrijfsleider Emilio Franchi dat hij minder bestrijdingsmiddelen heeft kunnen gebruiken dan in andere jaren. Aangezien de boerderij niet meer tractoren kan kopen, zijn er plannen om het aantal ossenspannen van driehonderd naar vierhonderd op te voeren. Ondanks de moeilijkheden, aldus Franchi, is de oogst aan aardappels, bananen en overige groenten en fruit dit jaar veertig procent hoger dan het vorige jaar.

Op een derde boerderij vertelt een bedrijfsleider een mop over de Cubaanse agrarische produktie. Fidel bezoekt een boerderij waar een dikke zeug zijn blik vangt. Hij besluit dat die zeug tien biggen moet baren. Helaas baart de zeug er maar zes. De bedrijfsleider kan zich er niet toe brengen de matige biggenproduktie te melden; hij doet aangifte van de geboorte van acht biggetjes bij de gemeentelijke secretaris van de regionale Partijafdeling, die op zijn beurt het aantal verhoogt. Als het bericht ten slotte Fidel bereikt, is de biggenproduktie van de zeug opgelopen tot tien. “Mooi”, zegt Fidel. “Vier voor de binnenlandse markt en zes voor de export.”

Volgens de bedrijfsleider is de planeconomie de blauwdruk van een ramp. En die ramp wordt verergerd door schaarste. Zo is er, zegt hij, geen voer voor de produktie van pluimvee, maar alleen voor die van eieren. Dus moet Cuba kuikens importeren voor schaarse harde valuta. En het gebruik van 300.000 stuks slachtvee als trek-ossen verklaart ten dele het gebrek aan vlees op de markt.

Als klap op de vuurpijl wil Cuba zijn socialistische principes oprekken en zijn schaarse middelen inzetten in de hoop dat een massale terugkeer van toeristen na een revolutionaire pauze van 31 jaar de economie uit het slop zal helpen.