Aquino wil bases VS nu houden; Amerikanen zijn big business voor de Filipijnen

Corazon Aquino, die zichzelf altijd het liefst heeft geprofileerd als "gewone Filippijnse huisvrouw', ondertekende in 1985 een politiek manifest van oppositiepartijen tegen Ferdinand Marcos waarin behalve diens vertrek ook de ontmanteling van de Amerikaanse militaire bases in de Filippijnen werd geeist. Het eerste lukte: in februari 1986 zag Marcos zich na een volksopstand gedwongen een goed heenkomen op Hawaii te zoeken; Aquino werd president. En mogelijk gaan ook de Amerikaanse militairen binnenkort weg, vrijwillig, als blijkt dat de Filippijnse Senaat vasthoudt aan zijn besluit van maandag om het nieuwe leaseverdrag voor de bases af te keuren (12 stemmen voor, 11 tegen). Het oude verdrag loopt op 16 september af, voor die tijd wordt een tweede keer gestemd. Voor ratificatie is een tweederde meerderheid nodig.

Het verschil tussen oppositieleider Aquino en president Aquino is dat ze nu een fel voorstander is van voortzetting van de Amerikaanse aanwezigheid. De president doet niet moeilijk over die ommezwaai. Ze was gisteren, tijdens een massale betoging in Manila voor de bases, weer de huisvrouw die de mannen toesprak: “Jullie hebben je vrouwen ook ooit beloofd dat je hun altijd trouw zou blijven, maar wij weten wel beter”.

De Amerikanen hechtten de afgelopen decennia bijzonder veel waarde aan hun bases (de grote luchtmachtbasis Clark Air Base, de marinebases Subic Bay en vier kleinere locaties) in de Filippijnen, die buiten het grondgebied van de Verenigde Staten de grootste Amerikaanse bases ter wereld waren.

In 1946 sloten de Amerikanen, bij de overgang naar onafhankelijkheid van wat 48 jaar hun kolonie was geweest, een voordelig, 45-jarig leasecontract met Manila over de militaire vestigingen in de Filippijnse archipel. De achtereenvolgende Filippijnse regeringen waren een steun en toeverlaat voor Washington in een omgeving waar het communisme de ene na de andere overwinning behaalde.

De volksopstand tegen Marcos was in essentie niet anti-Amerikaans. De communistische partij van de Filippijnen (CPP) en haar militaire vleugel, het Nieuwe Volksleger (NPA), waren dat uiteraard wel. Zij meenden dat door Marcos' val de Filippijnse Volksrepubliek binnen vingerbereik was. Hoewel de communisten een geduchte machtsfactor zijn in de Filippijnen, steunt slechts een minderheid van de bevolking hun ideeen. Vandaar dat betogingen voor behoud van de bases altijd veel groter waren dan die ertegen.

Aquino, telg uit een welgestelde familie van grootgrondbezitters, kwam na haar aantreden als president tot het inzicht dat voortzetting van de Amerikaanse aanwezigheid van economisch, politiek en militair belang was voor de Filippijnen en zij vindt dat nog. De Amerikanen zijn big business voor de Filippino's. Washington betaalt een vast bedrag per jaar (in het ontwerp-verdrag, dat een looptijd heeft van tien jaar, verhoogd naar 203 miljoen dollar per jaar) en geeft handelsconcessies, compensatie en andere financiele voordelen aan de Filippijnen ter waarde van zo'n 800 miljoen dollar per jaar. Daarnaast zijn 14.000 Filippino's in loondienst bij de Amerikaanse bases. Het niet ratificeren van een nieuw verdrag betekent dat deze bron van inkomsten in een slag wegvalt en brengt ook een voorgestelde, voordelige regeling in gevaar voor het wegwerken van 5,3 miljard dollar aan buitenlandse schuld. De Filippijnen behoren tot de ASEAN, de Associatie van Zuidoostaziatische landen, maar zijn daarbinnen het zielige buitenbeentje. De andere vijf, Singapore, Maleisie, Thailand, Brunei en in mindere mate Indonesie hebben een bloeiende economie, met groeicijfers die schommelen rond de tien procent. De Filippijnen, met 60 miljoen inwoners na Indonesie (180 miljoen) het op een na volkrijkste ASEAN-land, amper drie procent.

Bovendien, zo is de verwachting, zullen buitenlandse investeerders bij vertrek van de Amerikanen nog meer dan voorheen aarzelen om activiteit in de politiek instabiele Filippijnen te ontplooien. Al zesmaal hebben militairen geprobeerd Aquino te verdrijven. De laatste maal, in december 1989, gaven Amerikaanse gevechtsvliegtuigen dekking aan de pro-Aquino krachten, een factor die in belangrijke mate bijdroeg tot het mislukken van de coup.

Maar behalve de mening van Aquino ten opzichte van de Amerikanen, is er de afgelopen zes jaar meer veranderd. Het einde van de Koude Oorlog en de recente ineenstorting van het communisme in Oost-Europa hebben de Verenigde Staten van Amerika militair-strategisch in een riante positie gebracht. De VS kunnen zich in het buitenland, zoals in de Filippijnen, de luxe permitteren bases te ontruimen indien te grote obstakels worden opgeworpen, te hoge financiele eisen worden gesteld. De Sovjet-vloot in de Stille Oceaan en in Zuidoost-Azie is niet langer, of althans in veel mindere mate, een bedreiging voor de VS. Reden voor de Amerikaanse minister van defensie Dick Cheney om deze week, nadat de Filippijnse Senaat bij de eerste stemming het nieuwe verdrag had afgewezen, te zeggen: “Inpakken en wegwezen”, als de senatoren hun houding niet wijzigden.

De controverse betreft alleen Subic Bay, waar 8.000 Amerikanen zijn gelegerd ten behoeve van de Zevende Vloot. In juni werd als gevolg van de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo de basis Clark Air Field met een dikke laag roet bedekt en vervolgens door de Amerikanen ontruimd, voorgoed. Wat voor de Filippino's een natuurramp was (meer dan 600 mensen kwamen om, nog dagelijks stroomt er hete modder uit de vulkaan), was voor de Amerikanen een godsgeschenk. Geen moeizame besprekingen meer over de luchtmachtbasis, geen politiek gedwongen vertrek, basis gewoon om natuurlijke reden opgeheven. De helft van de 17.500 GI's en hun gezinnen werden gerepatrieerd.

Na Cheney zei ook president Bush deze week dat de tijd van onderhandelen voorbij is, het is slikken of stikken. De Amerikanen hebben genoeg alternatieven in de regio, zeker nu een geringere militaire aanwezigheid voldoende wordt geacht. Er zijn bases in Japan, Zuid-Korea en op Guam, locaties die bovendien het voordeel hebben dat ze dichter liggen bij de landen die door Amerikaanse strategen nog als potentieel gevaarlijk worden gezien: het orthodox-communistische trio China, Vietnam en Noord-Korea. Singapore, waar Amerikaanse marineschepen mogen binnenlopen voor reparaties, staat niet onwelwillend tegenover uitbreiding van de faciliteiten.

Wat bezielt de Filippijnse Senaat om zo'n hoog spel te spelen? Het is belangrijk te weten dat politieke partijen in de Filippijnen vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Politiek loopt langs de lijnen van het oude patronage-systeem, het gaat om de mensen en niet om de partij. De politici proberen er voor zichzelf het beste uit te halen. Zo kan het gebeuren dat uiterst links en uiterst rechts elkaar vinden in de huidige kwestie. Niet alleen over de hoogte van de Amerikaanse vergoeding zijn de critici ontevreden. Zo is de rechtse senator Juan Ponce Enrile, ex-minister onder Marcos en Aquino, vooral uit nationalistische overwegingen tegen het nieuwe verdrag. Enrile, kandidaat bij de presidentsverkiezingen in mei 1992, vindt dat de Filippijnen op eigen benen moeten staan. Dat vindt ook de verboden communistische partij, die hoopt dat het vertrek van de Amerikanen haar vastgelopen guerrilla-oorlog nieuw vuur zal geven.

De huidige situatie in de Filippijnen is explosief. Wanneer de Senaat voet bij stuk houdt en de Amerikanen dat ook doen en dus weggaan, is het gevaar van een staatsgreep niet denkbeeldig, een mogelijkheid die vice-president Laurel gisteren al opperde. Bepaalde stromingen in het leger zullen de Amerikanen koste wat het kost in hun land willen houden.

Aquino vertrouwt mogelijk op een referendum als laatste uitweg voor het behoud van haar do-gooders, in de wetenschap dat bij recente peilingen een ruime meerderheid van de bevolking zei voor de Amerikaans bases te zijn. Sommige Filippino's zien de bui al hangen. Een betoger bij een van de jongste demonstraties droeg een bord met de tekst: Yankee go home .. and take me with you.