Rapport over medische beslissingen rond het levenseinde; "Euthanasie is in tussenfase'

DEN HAAG, 10 SEPT. Het is niet ondenkbaar dat euthanasie over tien jaar wordt beschouwd als een "normale' medische handeling. De huidige praktijk, waarbij euthanasie onder voorwaarden wordt toegelaten in uitzonderingssituaties, is een tussenfase. Dat is de opvatting van prof.mr. J. Remmelink, procureur-generaal bij de Hoge Raad en voorzitter van de commissie onderzoek medische praktijk inzake toepassing van euthanasie in Nederland. Het is ook precies wat het vanochtend gepresenteerde rapport biedt: veel cijfermateriaal over de omstandigheden waaronder artsen komen tot “medische beslissingen rond het levenseinde”.

Het rapport van de commissie Remmelink doet geen aanbevelingen voor wetgeving. En dat is op zijn minst opmerkelijk gezien de lange voorgeschiedenis van de discussie over de euthanasiekwestie. Die discussie begon in 1973 toen de Friese arts G. Postma-Van Boven tot een week voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld omdat zij euthanasie had toegepast op haar moeder. Bij het aantreden van dit kabinet lagen er twee wetsvoorstellen: een initiatief-wetsvoorstel van D66, waarin de strafbaarstelling op euthanasie wordt opgeheven en een wetsvoorstel van het tweede kabinet-Lubbers waarbij euthanasie strafbaar blijft, zij het dat de strafmaat wordt teruggebracht van twaalf tot vier jaar.

De instelling van de commissie Remmelink werd over het algemeen gezien als een nieuwe poging om besluitvorming over euthanasie uit te stellen. De meningen van de coalitiepartijen CDA en PvdA lopen sterk uiteen. Afgelopen weekeinde stelde GPV-afgevaardigde Schutte dat het rapport wel in een la terecht zal komen: het wankelende kabinet kan zich na het omstreden WAO-besluit geen besluitvorming over nóg een gevoelige affaire veroorloven.

Remmelink meent echter dat besluitvorming op dit moment onontkoombaar is. “Zelfs als het rapport in een la zou verdwijnen, betekent dat een beslissing. Namelijk een keuze voor het continueren van de huidige beleidslijnen. Dat wil zeggen het accepteren van euthanasie in noodsituaties. Het zou kunnen zijn dat er velen voor handhaving van de status quo zijn. En dan zullen er wel wat meer circulaires verschijnen waarbij de zorgvuldigheidseisen extra vorm krijgen.”

Maar de strafbaarstelling, tot twaalf jaar gevangenisstraf, blijft ook gehandhaafd?

“Ja, maar niet zoals Schutte wil dat artsen die euthanasie toepassen ook daadwerkelijk worden vervolgd. Meer kan ik er niet over zeggen, want we hebben uitdrukkelijk met de minister afgesproken dat wij ons niet uitlaten over de vraag of wettelijk ingrijpen al of niet wenselijk is. Dat moet volgens de minister helemaal aan de politiek worden overgelaten en daar mag onze commissie zich niet over uitlaten.

“Wij permitteren ons wel aanbevelingen over de wenselijkheid van aanpassingen in de medische opleiding. Zo omvat de taak van de artsen meer dan alleen genezing of "behoudenis der kranken', zoals het in het oude katholieke ziekenhuis van Groningen op de muur staat te lezen. Maar medici moeten ook rekening houden met de verzorging van de mens in de allerlaatste levensfase. Dat is een uitbreiding van de taak van de medicus vergeleken met de taak zoals men die vroeger zag.”

Loopt de ethische discussie en vooral de praktijk niet ver voor op de wetgeving en op de jurisprudentie van de Hoge Raad?

“Er is het verlangen dat de euthanasie wordt beschouwd als een acte médical, of actus medicus. Professor Enschedé (oud-lid van de Hoge Raad, red.) is een van de mensen die dat bepleiten. Maar daar heeft de Hoge Raad tot dusverre niets van willen weten. Als euthanasie gebeurt buiten de stervensfase in de enge zin van het woord, vinden wij dus niet dat hier sprake is van een normale medische beroepsdaad. Dan is er sprake van doden, dat eventueel wel kan worden gerechtvaardigd. Maar er is een evolutie mogelijk waarbij men op een gegeven ogenblik vindt dat ook euthanasie in deze voorfase, waarbij natuurlijk wel sprake moet zijn van een fatale ziekte, een medische handeling is.”

De commissie is er geen voorstander van dat de arts bij een patiënt in een noodsituatie geen euthanasie toepast: als de medicus het niet zelf wil doen, zo luidt het advies, moet hij doorverwijzen naar een collega.

“Ik sta zelf een beetje ambivalent tegenover die dingen, maar ik houd rekening met de realiteit.”

U bent zelf terughoudend op het punt van euthanasie?

“Ik ben inderdaad terughoudend, maar ik heb gemerkt dat ik in de praktijk niet of nauwelijks verschil van mensen die het probleem niet, zoals ik, vanuit protestants-christelijk oogpunt bekijken. Ik heb de indruk dat de humanisten er hetzelfde over denken.”

Dit is een kwestie waar het vooral gaat om levensovertuigingen?

“Ja, als christen ben je natuurlijk van mening dat je dit leven gekregen hebt van Onze Lieve Heer. Dus daar moet je nogal zuinig op zijn.

“Eigenlijk is euthanasie curieus. Je mag een ander doden uit zelfverdediging, men noemt dat noodweer. Je kun dat veralgemenen tot de collectieve noodweer of de rechtvaardige oorlog. Maar als je zelf niet wordt aangevallen, mag je dan een ander doden? In zekere zin is dat met een medicus het geval. Hij heeft een beroepsprobleem en dat lost hij op door een ander te doden. Zo kun je het bekijken: het is natuurlijk een volstrekt onwaarachtige kijk, maar juridisch-dogmatisch zou je het zo kunnen formuleren. Die medicus zelf verkeert niet in een noodtoestand, maar de patiënt. Dit is wel een reden om erg voorzichtig te zijn. Het gaat om de vraag waarom het nou wel kan in een bepaald geval. Het antwoord is dat het mogelijk is omdat je te maken hebt met mercifull killing, zou ik haast zeggen. Met een daad van liefde.

“Er zijn andere oplossingen denkbaar. Het kan een kwestie zijn die valt onder de wet op de geneeskunst. Daar zou je op terecht komen als je doet wat Enschedé wil, namelijk doding gelijkschakelen met de medische handeling van bijvoorbeeld de tandarts. Het is best mogelijk dat de zaak over tien jaar zo is geëvolueerd dat de huidige aanpak een tussenstap blijkt te zijn.”