Het genot van lezen Antaeus: Literature as ...

Het genot van lezen Antaeus: Literature as Pleasure. Collins Harvill (via Van Ditmar), 213 blz. ƒ 32,75. Allemaal overspel The Paris Review 119, Summer 1991. 300 blz. $ 6. 45-39 171 Place, Flushing, New York 11358 USA. Liefde bij Bachmann Lust & Gratie 31, Postbus 18199, 1001 ZB Amsterdam, 112 blz. ƒ 15.

Het genot van lezen

“U staat op het punt om te gaan lezen.....ontspan u. Concentreer u. Ban elke andere gedachte uit. Laat de wereld om u heen vervagen. Doe de deur maar dicht, in de kamer hiernaast staat altijd de tv aan. Zeg meteen tegen de anderen: "Nee, ik wil geen tv kijken!' Verhef uw stem - anders horen ze u niet - "Ik lees! Ik wil niet gestoord worden!' Misschien hebben ze u niet gehoord, met al dat lawaai; schreeuw dan, krijs: "Ik begin te lezen!'

Onder dit mooie motto van Italo Calvino presenteert het halfjaarlijkse Amerikaanse blad Antaeus een nummer over het genot van lezen.

Volgens Joyce Carol Oates, die het nummer opent, is lezen “het hoogste, want meest geheime soort genot”. Het lekkerste is het 's nachts lezen, alleen in het donker met de witte bladzijden. Want wat gebeurt er tijdens die mysterieuze daad: “Het is de enige manier waarop we onwillekeurig, vaak hulpeloos, in iemand anders' huid glippen, iemand anders' stem, ziel.”

Richard Ford beschrijft hoe jonge Amerikaanse studenten lazen in de jaren zestig, na het fiasco van Vietnam. Boeken moesten relevantie hebben, óf heel ironisch zijn. De Postmodernisten met hun woordspelletjes, absurde stijlmengelingen en verwarrende citaten waren geliefd: “De wereld was een gigantisch wrak en wij, vooral in Californië, op een krankzinnige manier gestrand. Er was geen tijd voor Thomas Mann. Irrelevant. Ik denk echt dat we relevantie nog niet herkend zouden hebben als die op ons af was gestapt en vol op de mond had gekust.”

Herlezen is weer een genot apart. Hoewel het risico van teleurstelling met de jaren toeneemt - de lezer verandert immers - krijgen sommige boeken, meestal stukjes, bij herlezen wat extra van onze liefde. Het wonderlijkste doet zich voor bij geestige teksten, waar de trouwe lezer na de twintigste keer nóg om kan schateren. James Purdy ligt elke keer weer dubbel om Aleksei Remizovs The Fifth Pestilence and the Tinkling Cymbal and Sounding Brass.

Veel genoegen verschaft de bijdrage van de Canadese Tsjech Josef Skvoreck'y, die over zijn opmerkelijke leeservaringen als jong jongetje (met een zaklamp onder de dekens), als herniapatiënt en als lector van de communistische staatsuitgeverij, fraai weet te vertellen.

De jonge Madison Smartt Bell scheidt in zijn bijdrage juist "pleasure' van "literature', met "pleasure' doelend op wat wij "lectuur' zouden noemen, of "amusementsliteratuur'. “Elmore Leonard is fun, Dostoevsky or Thomas Pynchon is work.” De schrijver rekent zichzelf tot de auteurs van "werk-literatuur'. Bell heeft een appeltje te schillen met de makers van "superfictie', met de veeleisende postmoderne highbrow-auteurs die eindeloos verwijzen en citeren tot het cryptogrammatische aan toe. Realisme is helemaal uit, bromt Bell - “het lijkt wel of de toename van de quasi-realistische massalectuur een crisis in de literatuur heeft voortgebracht zoals de fotografie in de schilderkunst.” De schrijver hoeft echt niet op zijn hurken om de lezer te plezieren; literatuur mag van Bell best leuk, spannend of sentimenteel zijn. Serieuze schrijvers moeten zich niet verder in hun literatuur-tunnel ingraven, ze moeten juist het vrije veld in.

Antaeus: Literature as Pleasure. Collins Harvill (via Van Ditmar), 213 blz. ƒ 32,75.

Allemaal overspel

Antaeus-redacteur Daniel Halpern publiceert eind dit jaar zijn zevende dichtbundel, The Paris Review brengt een voorpublikatie.

Vijf vrije verzen over overspel - “even here there are laws and rights- to protect the guilty, - even if the jury's always in”.

Ben Sonnenberg, oud-CIA-medewerker, oprichter en tot voor kort hoofdredacteur van een ander prestigieus Amerikaans literair tijdschrift, Grand Street, publiceert in The Paris Review alvast een stukje uit zijn Lost Property: Memoirs & Confessions of a Bad Boy. Het gaat over zijn bezoeken aan een Spaanse villa in de jaren zestig, waar een Amerikaans echtpaar allerlei literaire of anderszins interessante landgenoten ontving. Overspelige bezoekers en hun oorspronkelijke partners schijnen daar aldoor in zinnen gesproken te hebben die uit films en boeken waren gepikt.

Vlak voordat Mary McCarthy stierf in 1989 voltooide ze het moeilijkste hoofdstuk van haar autobiografie die op How I Grew moest volgen. Het ging over haar huwelijk met Edmund Wilson, de erudiete zeer produktieve schrijver en criticus (Axels burcht). Het hoofdstuk raakte zoek en wordt nu pas door The Paris Review gepubliceerd. New York, oktober 1937, hij belooft mee te gaan werken aan het anti-stalinistische Partisan Review. Redactrice Mary McCarthy begeleidt hem en hij ("too old and too fat') verleidt haar, waarmee zij haar geliefde bedriegt, de oprichter van Partisan Review Philip Rahv. McCarthy trouwt met "minotaurus' Wilson, zeventien jaar ouder dan zij, “als mijn straf omdat ik met hem naar bed was geweest”. Dankzij Wilson werd McCarthy schrijfster, maar ze bekent hem daarvoor toch niet erg dankbaar te zijn. Wij hebben daar wel alle reden voor; ook dit "moeilijkste hoofdstuk' vol pijnlijkheden leest verrukkelijk.

Lily Tuck, van de roman Interviewing Matisse, or the Woman Who Died Standing Up, beschrijft een korte ontmoeting met Alberto Moravia, de oude Italiaanse schrijver die haar van haar vriend overneemt voor een ritje in zijn auto: “Moravia drove very fast with one hand on my leg - high up on my leg.” Het is echter haar vriend, alleen in zijn eigen auto, die onderweg een dodelijk ongeluk krijgt.

Behalve veel poëzie en proza over overspel (toeval?) staan er drie interviews in dit nummer. Met schrijver, historicus en estheet Harold Acton; met Mexicaan Octavio Paz over poëzie; en met Günter Grass (eind 1990): “Als kind was ik een enorme leugenaar. (-) Liegen is erg belangrijk. Het heeft voor mij geen zin om tegen een man te liegen - bij een man te gaan zitten, leugentjes vertellen - maar wél bij een vrouw!” Grass gelooft absoluut dat literatuur de wereldpolitiek kan veranderen. Vast en zeker zonder met zijn ogen te knipperen vertelt hij zelf het meest beïnvloed te zijn door Camus' De mythe van Sisyphus.

The Paris Review 119, Summer 1991. 300 blz. $ 6. 45-39 171 Place, Flushing, New York 11358 USA.

Liefde bij Bachmann

Marlen Haushofer, Ilse Aichinger, Ingeborg Bachmann, Friederike Mayröcker, Elfriede Jelinek: vrouw, Oostenrijks en literair auteur. Voor al het overige zeer verschillend, trouwens ook in de punten waarop ze wél overeenkomen. Lust & Gratie maakte een themanummer over deze Oostenrijkse schrijfsters, met de nadruk op Bachmann. Regula Venske leidt het in, met speciale aandacht voor uitspraken over mannen en mannelijkheid - “de vijand zit in degenen die wij moeten liefhebben” (Haushofer).

Christiane Kuby bekeek de twee poëziebundels van Bachmann, Joke Hermsen het sleutelverhaal "Undine gaat' uit Het dertigste jaar (1961), Ingeborg Dusar "O gelukkige ogen' uit Simultaan, redacteuren Xandra Schutte en Désirée Schyns "Een stap naar Gomorra', een verhaal over liefde tussen twee vrouwen, ook uit Bachmanns prozadebuut Het dertigste jaar: “de vrouwenliefde kan niet benoemd worden, laat staan genoten. De liefde tussen twee vrouwen is onbegaanbaar gebied.” Chris Keulemans schrijft over de liefde tussen Max Frisch en Bachmann, "Gantenbein' en "Malina'.

Lust & Gratie 31, Postbus 18199, 1001 ZB Amsterdam, 112 blz. ƒ 15.