Drie "boeven'

Dat Jimmy Connors slechte manieren heeft weet de tennisgemeenschap al jaren en jaren. Ik wil best nog verder gaan: Connors geeft af en toe de indruk door "animale driften' te worden bereden. De uitdrukking is van collega Al Barkov, een landgenoot van de Amerikaanse blufgozer. Barkov hoorde wat Connors zei toen hij de baan (Forest Hills) verliet, na in september '83 daar een kwartfinale voor de US Open te hebben gewonnen. Hij versloeg er de Spanjaard Orantes en werd geacht goed gemutst te zijn. Maar hij had ruzie gehad tijdens de partij met een bezoekster die geen dame was, en naar bekend is Connors dan absoluut geen heer. Barkov: “Hij stond stijf van woede en schold en tierde naar niemand specifiek. Hij gaf de indruk van animale drift, een wreed dier dat zijn vijanden heeft verscheurd”.

Die indruk van "ik alleen tegen de boze wereld' heeft Connors lang gewekt, maar de laatste jaren had hij niet langer gepoogd het publiek tegen zich in te nemen, maar het achter zijn kar te krijgen. Hij is een ordinaire lefgozer, die buitengewoon goed heeft kunnen tennissen, daarbij gedreven door een mengelmoes van haat en eerzucht, plus ... liefde voor het spel. Aardige jongens als Mats Wilander, een jaar of tien jonger dan Jimbo, zijn al weggevallen, maar Connors brak op zijn achtendertigste zijn linkerpols en knokte zich toen nog terug met de gretigheid van een junior. Hij is primitief, soms geestig, soms vulgair en hij bezit een gevoel voor entertainment waarop al die anderen, de overigens verdienstelijke Paul Haarhuis incluis, jaloers mogen zijn.

Rond de top van de internationale tenniswereld hebben drie "bad boys' hun hoofdrol gespeeld: Connors, John McEnroe en Ilie Nastase. Wat heeft dat niet zo nobele trio voor opschudding gezorgd! Boetes, schorsingen, scheldpartijen: er was altijd wel iets met hen aan de hand. De wereld moest om hen draaien. Van anderen, tegenstanders, pers, organisatoren, publiek werd slechts applaus verlangd. Als ik dan nu lees uit de pen van Mart Smeets, dat Connors een “grote tennishufter” blijft, dan zit je met zo'n kop altijd goed. Die spijker is zo onbedaarlijk groot, dat een misslag niet mogelijk is. Maar als in dat hele verhaal louter kwalijke dingen worden opgesomd en de schrijver meent dat het “aardig” is om te zien hoe Connors' spel op karakter berust, dan wordt hier toch schromelijk onrecht gedaan aan de geweldige kwaliteiten van Connors als tennisser. Ik ben blij dat collega Smeets tegenwoordig tot tennis is bekeerd, maar als hij een oordeel aandurft, zou hij toch eens moeten beseffen dat Connors met zeer beperkte middelen veel meer dan honderd Grand Prix-overwinningen heeft geboekt. Dat hij een niet meer dan matige service heeft, dat hij geen groot volleerder is en niet is meegegaan met de alom aanvaarde gewoonte om zijn slagen topspin mee te geven, zijn evenveel handicaps.

Om dan toch vijf keer de US Open te winnen, tweemaal Wimbledon, Melbourne en zoveel andere iets minder grote evenementen, getuigt van een toewijding, volharding en grenzeloze wil-tot-winnen, dat ik daar een hele rits slechte manieren voor op de koop toeneem. Het is niet pedagogisch, ik weet het. Maar ik zweer u, als al die andere goede spelers allang vergeten zijn, zal men de drie "boeven' zich nog met waardering herinneren: John McEnroe, Ilie Nastase en Jimmy Connors.