Roeren in Joegoslavisch kruitvat leidt niet tot vrede

De EG-conferentie over Joegoslavië, zaterdag begonnen, is de conferentie van de wanhoop en de conferentie van de machteloosheid, en de kans dat het overleg met succes zal worden bekroond is dan ook minimaal.

Daar zit een EG die, hoewel onderling verdeeld, nog altijd uit lijkt te gaan van de veronderstelling dat er van het Joegoslavië dat we kennen nog iets kan worden gered en dat, als dat niet het geval is, de boedelscheiding zonder geweld kan worden voltrokken - twee veronderstellingen die al geruime tijd door de realiteit zijn ingehaald.

Daar zit een Kroatië, dat uitsluitend ter conferentie is getogen in de hoop met Europese steun onafhankelijk te kunnen worden, en wel binnen de bestaande grenzen - en het eerste zou kunnen lukken, maar het laatste niet: op het slagveld zijn de belangrijkste beslissingen al gevallen, nu grote delen van Slavonië, Banië en Krajina in handen van separatistische Serviërs zijn gevallen.

Daar zit verder een Slovenië waarvan alle partijen weten dat het zijn onafhankelijkheid al heeft bevochten en dus binnen het oude Joegoslavië niet meer mee doet; het wacht slechts tot het in Brioni afgesproken moratorium op de onafhankelijkheid afloopt en treedt dan, met door de economische malaise ietwat getemperd enthousiasme, toe tot de familie der Europese volkeren.

Daar zit ook een Servië, dat weet dat het op het slagveld al heeft gewonnen en dat nog slechts moet zien de terreinwinst in Slavonië, Banië en Krajina erkend te krijgen - en komt die erkenning er niet, dan zal Servië de conferentie laten mislukken - voordat het aan de volgende fase begint in de strijd om de boedel van maarschalk Tito.

Daar zit verder Bosnië dat weet dat het het volgende slagveld zal worden: zodra de toekomst van Kroatië is beslist, komt Bosnië aan de beurt om eventueel met geweld te worden verdeeld in stukken die bij Kroatië zullen worden gevoegd en stukken die bij het door Servië gedomineerde rest-Joegoslavië komen.

Daar zit verder een Macedonië, dat liefst niets met Servië van doen wil hebben en graag zijn eigen weg zou willen gaan, maar zich dat economisch en geografisch niet kan veroorloven. Macedonië kan hooguit hopen op een soepele behandeling door Servië; het loopt, tongue in cheek, op eieren.

En daar zit ook nog een federale Joegoslavische regering, president Mesic en premier Markovic, de machteloze beheerders van een kuil vol slangen waarvan er niet één nog luistert naar die beheerders. Zij zijn de belichaming van een vervlogen illusie. Zelfs het militaire opperbevel van het federale leger trekt zich van die twee roependen in de woestijn vol geweld en tegenstellingen niets meer aan.

Kortom: de meeste partijen hebben ter conferentie doeleinden die elkaar uitsluiten. Wie alleen al weet dat geen Kroaat zal instemmen met het verlies van door Serviërs veroverd Kroatisch gebied, en dat geen Serviër dat veroverde gebied, voor welke prijs dan ook, zal opgeven, moet concluderen dat de conferentie al bij voorbaat geen zin heeft.

En dat zijn nog slechts de partijen die wèl ter conferentie zijn vertegenwoordigd. Er zijn ook drie partijen die er niet bij zijn, hoewel ze van het grootste belang zijn in het Joegoslavische conflict: de Servische milities in Kroatië, die goeddeels hun eigen gang gaan, gesteund weliswaar door de Servische president Milosevic, maar tegelijkertijd autonoom: zelfs als Milosevic al op het idee zou komen hen tot de orde te roepen, zouden ze hem niet gehoorzamen; vervolgens het federale leger, dat zich heeft losgemaakt van zijn politieke opperbevel en dat de Serviërs in Kroatië de afgelopen maanden actief heeft gesteund in hun strijd tegen de Kroaten; en ten slotte de door de Serviërs onderdrukte Albanezen van Kosovo, nog een potentieel slagveld.

Joegoslavië is een Gordiaanse knoop, en het is meer dan onwaarschijnlijk dat Lord Carrington die kan doorhakken. De EG heeft dan ook weinig te zoeken aan een onderhandelingstafel, waaraan de Joegoslaven zelf al twee jaar lang letterlijk niets hebben bereikt. Waar geen wil is, is geen weg, en wie vanaf het begin het ordinaire spel om land en macht van vooral Slobodan Milosevic en zijn Kroatische collega Franjo Tudjman heeft gadegeslagen, weet dat de wil er niet is.

De enige die dit lijkt te beseffen, is Hans-Dietrich Genscher. Zijn optie - de internationale erkenning van Slovenië en Kroatië - is de enige die uitgaat van feiten: het feit dat beide republieken niet meer in Joegoslavië passen en hoe dan ook in de toekomst zullen moeten worden erkend. Een erkenning van Kroatië en Slovenië en een internationaal isolement van Servië zouden natuurlijk geen garanties opleveren voor de benarde bevolking van de omstreden gebieden in Kroatië en die van Bosnië, Kosovo en Macedonië. Maar die garanties zijn nu eenmaal niet te geven. En erkenning van de Kroatische onafhankelijkheid zou Zagreb in elk geval een zekere bescherming bieden tegen het Servische geweld en zou bovendien de EG van het pad van de illusies terugbrengen op het pad van de realiteit en de feiten.

Als de EG zich dan toch met oostelijk Europa wil bemoeien, kan ze beter nagaan hoe ze haar eigen principes van vrije handel en integratie in de praktijk brengt in plaats van aan het Oosten voornamelijk haar gierigste en meest bekrompen kant te laten zien. En wat Joegoslavië betreft: de EG kan geen oorlogen beslechten zolang de roofridders ter plekke redenen zien die oorlogen voort te zetten. De EG zou er beter aan doen te beseffen dat de strijd om de restanten van het oude Joegoslavië niet bijna ten einde is, maar integendeel pas net is begonnen. Haar bemoeienis met Joegoslavië is roeren in een kruitvat waarin al honderden jaren door buitenstaanders van allerlei pluimage is geroerd - en meestal met desastreuze gevolgen. Het is niet alleen zinloos maar leidt gewoonlijk eerder tot nog meer geweld dan tot wat men op het oog heeft: vrede.