Macedonië trots maar sceptisch naar stembus

SKOPJE, 9 SEPT. In stembureau nummer 33 te Tetovo wil de ware verkiezingskoorts nog niet loskomen. “Nog maar tien procent van de kiezers op onze lijst heeft zich gemeld”, zegt de voorzitter van het stembureau enigszins bedrukt. Over de reden van dit gebrek aan enthousiasme voor het referendum over de onafhankelijkheid van Macedonië in deze kleine provinciestad hoeft hij niet lang na te denken: “Hier in Tetovo wonen vooral Albanezen, en die komen niet op voor Macedonië”.

De Albanese boycot was niet de enige smet op het volksreferendum, waarmee deze zuidelijkste der Joegoslavische deelrepublieken gisteren haar verlangen naar soevereiniteit en zelfstandigheid kracht heeft bijgezet. In een tweetal overwegend door Serviërs bewoonde dorpen zijn zelfs stembureaus bezet. De Macedonische bevolking heeft zich evenwel massaal ter stembus bewogen, om de "Macedonische identiteit', zoals men hier graag zegt met een duidelijk "ja' te onderstrepen. Of dat ja er is gekomen, wordt pas later deze week officieel duidelijk; tevreden was men gisteren in Skopje wel over de opkomst van 65 procent.

Voor veel kiezers was het referendum een plechtig moment. “In de geschiedenis is over Macedonië meestal door anderen beslist”, meent een jonge inwoner van Skopje. Bedoeld zijn de grootmachten die na de eerste Balkanoorlog in 1912 Macedonië opdeelden tussen buurlanden, en daarna de andere deelrepublieken van Joegoslavië, waarin Macedonië als een der armste van de republieken niet zo vreselijk veel in de melk te brokkelen had. Maar evengoed was het dat federatieve Joegoslavië dat Macedonië voor het eerst in de geschiedenis een semi-zelfstandig bestaan als staat heeft vergund. Daarvoor, in het centralistische Zuidslavische koninkrijk voor de oorlog, was Macedonië gewoon in provincies opgedeeld. En vóór 1918 leken alle omringende, uit de afbrokkeling van het Ottomaanse imperium voortgekomen landen het over één ding eens: Macedonië mocht niet als onafhankelijke staat ontstaan. De vraag wie Macedonië dan wel in handen kreeg - de zogenoemde Macedonische kwestie - was de aanleiding tot de Balkanoorlogen aan het begin van de eeuw.

Ware Macedonische patriotten spreken over de dag van het referendum als over de "Derde Ilinden'. Op de eerste Ilinden (dag van de profeet Elias, 2 augustus) werd in 1903 de eerste onafhankelijke Macedonische republiek uitgeroepen, die na enkele weken al in bloed werd gesmoord. Als tweede Ilinden geldt de "Antifascistische vergadering' van 1944, stichtingsdag van de Socialistische Republiek Macedonië binnen Joegoslavië.

Het Macedonische parlement, waarin geen partij een duidelijke meerderheid heeft en - anders dan in Kroatië bijvoorbeeld - onversneden nationalisten dus moeten samenleven met hervormingsgezinde communisten en liberalen, had op 25 januari al de soevereiniteit van de republiek uitgeroepen. Lang heeft men echter gewacht met de organisatie van een referendum dat deze pretenties door een uitspraak van de volkswil zou kunnen bevestigen.

Pag.5:

Officieel Skopje optimistisch

President Kiro Gligorov heeft, naar verluidt, vorige maand de knoop doorgehakt, toen hem duidelijk werd dat er na het Koninkrijk Joegoslavië van voor de oorlog, en Tito's federatieve republiek daarna, vermoedelijk geen "derde Joegoslavië' zal volgen.

In die aarzeling lijkt iets van twijfel aan de levensvatbaarheid van een onafhankelijk Macedonië door te klinken. Want Macedonië is met iets meer dan twee miljoen inwoners niet alleen een van de kleinste deelrepublieken van Joegoslavië, het is ook een van de armste. Voor de buurlanden Griekenland, Servië en Bulgarije is het bestaan van zoiets als een Macedonische nationale identiteit nog altijd geen vanzelfsprekendheid, in Bulgarije bestaat zelfs een beweging ter annexatie van Macedonië, omdat Macedoniërs gewoon Bulgaren zouden zijn.

Voor de Macedonische premier Nikola Klusev is er geen twijfel mogelijk: “Natuurlijk kan Macedonië bestaan als een zelfstandige staat binnen Europa”. Dat Macedonië tot nu toe voornamelijk bestond van financiële steun van de rijkere deelrepublieken, noemt hij “een leugen, verspreid door krachten die niets van Macedonië willen weten”. Macedonië zal, verwacht hij, door de ligging op het kruispunt der culturen een aantrekkelijke plaats voor investeringen zijn, en met wat hulp van de Europese Gemeenschap zal het waarachtig wel gaan.

Ook in de relatie tot de buurlanden verklaart Klusev geen grote problemen te zien. “We zullen Macedonië tot een gedemilitariseerde zone verklaren”, kondigt hij aan, “en omdat we geen territoriale aanspraken hebben ten aanzien van de buurlanden, zullen we ook niet worden aangevallen”. Afkeurend spreekt hij dan ook over opgedoken anonieme pamfletten, waarin gezegd wordt dat het onafhankelijkheidsstreven op den duur tot oorlog en armoede zal leiden.

Wel rept hij van de mogelijkheid, het Joegoslavische leger te vragen ter bescherming van de grenzen in Macedonië te blijven. Dat leger wordt in brede kring echter tevens beschouwd als een instrument van Servische invloed in de republiek, en meer in het bijzonder als een middel waarmee Servië zou kunnen proberen het restant van Joegoslavië na een afscheiding van Slovenië en Kroatië tot een Groot-Servië om te bouwen. Men fluistert in Skopje over troepenbewegingen rond de stad op de dag van het referendum, en over duistere vliegtuigen, die bij nacht bedreigende bewegingen boven de stad maken.

Over een opstand van Serviërs naar Kroatisch model maken de Macedonische leiders zich geen zorgen: Serviërs maken maar 2,4 procent van de bevolking uit. De stembusboycot van de Albanezen is een heel wat bitterder pil: zij vormen eenvijfde van de bevolking. De twee partijen van de Albanezen hebben tot de boycot opgeroepen, omdat zij volledige gelijkberechtiging voor de Albanezen eisen, en paritaire vertegenwoordiging in alle staatsorganen. Zij willen in een onafhankelijk Macedonië als "volk' erkend worden, niet als een nationale minderheid. En als het moet, zegt een Albanese intellectueel in een vertrouwelijk gesprek, “zijn de Albanezen bereid met wapens voor hun rechten te vechten”. Die bereidheid uitte zich vorige week overigens al door een gewapende bevrijding van drie van smokkel verdachte Albanezen uit een politiebureau in Skopje. Er zijn meer tekenen dat er wellicht een eind komt aan het harmonieus samenleven der volkeren in Macedonië: de met kogelvrije vesten en machinegeweren uitgeruste politiepatrouilles, die 's nachts door Skopje lopen bijvoorbeeld. Premier Klusev ontkent echter met kracht dat Macedonië in Polen wapens heeft gekocht voor de politie.

Voorshands is Macedonië nog ontegenzeggelijk een van de vreedzamere plaatsen in het geteisterde Joegoslavië. “Er is hier eigenlijk niet zoveel belangstelling voor wat er in Kroatië gebeurt”, aldus een inwoner van Skopje. “Niemand had zo'n oorlog daar voor mogelijk gehouden, maar de Macedoniërs denken niet dat het voor hen veel relevantie heeft.”

En in zekere zin is de oorlog in het noorden een buitenkansje, daar het de Macedonische leiders de gelegenheid biedt hun staatkundige zelfstandigheid te benadrukken. Dik tevreden keerde president Gligorov zaterdagavond terug van de conferentie in Den Haag: “Alle republieken van Joegoslavië zijn op de conferentie protocollair en materieel gelijkwaardig behandeld”, meldde hij. “Dat betekent dat we allen dezelfde status hebben. Europa en de Balkan zoeken samen naar een oplossing. Macedonië is nu een realiteit in de internationale politiek.”