Is het gedaan met de vriendelijkheid in de theaterwereld?

Anne Braun, theatercriticus van het Berlijnse weekblad Wochenpost, was een van de buitenlandse gasten op het gisteravond afgesloten Theaterfestival. Hoewel ze de spectaculaire sensaties miste, verbaasde dit gemis haar niet: “Waar worden toeschouwers nu nog woedend of geschokt?”

DEN HAAG, 9 SEPT. Komend uit het oerwoud van het grote, eindelijk weer ongedeelde Berlijn werd ik met een stralende zon ontvangen door een vriendelijk, vredig Den Haag, alsof de ontwrichte wereld althans hier tip-top in orde is. Een goed begin van mijn eerste bezoek aan Nederland en mijn eerste kennismaking met Nederlandse en Vlaamse toneelgroepen op Het Theaterfestival 1991. Ik had geen idee wat me te wachten stond - conventioneel of experimenteel, tomeloos of braaf, de montere charme van de provincie of opwindende provocatie.

Ik kan alvast zeggen dat spectaculaire sensaties zijn uitgebleven. Waar worden toeschouwers immers nog door geschokt of woedend gemaakt. Sinds Brecht, of op z'n laatst sinds de jaren zestig, heeft het toneel al zijn traditionele voorbeelden met de grond gelijk gemaakt met het doel de toeschouwer te provoceren tot nadenken over historische, maatschappelijke en individuele processen en hem te activeren. De ontdekking van epische en spelmethoden vol gebaren en actie, de bezinning op traditionele theatervormen (commedia dell'arte, Aziatisch theater) en de creatieve ontwikkelingsgang van het "totale theater" waarnaar Meyerhold en Piscator streefden (picturale spelsituaties met gebruikmaking van muziek, film, pantomime, acrobatiek) - dat alles leidde tot revolutionaire veranderingen. Er ontstonden geëngageerde, politiek relevante ensemble-kunstvormen die hun fantasie en effectiviteit ontleenden aan de sociale realiteit.

Een soort "theatermoeheid" die zich tegenwoordig lijkt te verspreiden, deed in elk geval niets af aan mijn nieuwsgierigheid naar het Haagse festival. Er waren verrassende en minder verrassende voorstellingen te zien, ensceneringen van stukken uit het wereldtoneel (Sophokles, Racine, Strindberg, Tsjechov) en van hedendaagse auteurs.

Opmerkelijk is dat de antieke stof van een Ajax en een Antigone nog altijd, of misschien juist nu, zo'n gevoelige snaar raken. Sophokles verschaft ons inzicht in de wereld, brengt associatieve kettingreacties op gang die van onze wortels tot in het toekomstige reiken. De opvoering van beide stukken op één avond door het Zuidelijk Toneel, onder regie van Ivo van Hove, is van grote suggestieve kracht. De inrichting van de ruimte zorgt voor bewegingsvrijheid en engte, nabijheid en distantie. De toeschouwers zitten tegenover elkaar op het toneel, met tussen hen in een groot speelpodium dat slagveld, scheepsdek of woestijn kan zijn. Hier zien we de opdringerigheid, het bloed, het zweet, het weerbarstige van een oorlogsheld. Ajax voelt zich genegeerd en schreeuwt in zijn zucht naar roem om wraak, brult als een wild, gekooid dier, koeioneert zijn vrouw, luistert niet naar waarschuwende stemmen, geeft ten slotte zichzelf de doodsteek. En dan distantiëren zijn makkers zich van hun matrozenklucht en nemen in stemmig grijs de rol van witteboorden-moordenaars op zich.

Het noodlot van Antigone voltrekt zich op bruggen met gangen ertussen, die als een labyrint in elkaar overlopen. Antigone richt zich tot het publiek om haar ondergang te verklaren, en verwacht er begrip voor dat ze het gebod van de goden laat gelden vóór dat van de koning. Het is voor haar een morele plicht het lijk van haar verbannen broer te begraven. Dat zal haar voor het tribunaal op de doodstraf komen te staan. Terwijl daarover moet worden beraadslaagd, verliezen de heren senatoren zich in loze frasen, elkaar overbiedend met diepzinnige spreuken en telkens afdwalend van het thema. Koffie en cola drinkend, in gedachten al op weg naar huis, bekrachtigen ze Antigone's doodvonnis. Het is als een opwindende politieke thriller waarin verschillende kongsies het loodje leggen. Maar als de oude ziener Teiresias, met het bloedbevlekte masker van de blind gestoken Oidipous voor, dan ook nog in een rolstoel door de gangen raast, wordt de horror wel wat overdadig en Hitchcock-achtig.

De Blauwe Maandag Compagnie verraste met het zelden gespeelde stuk Voader van August Strindberg, dat ik dan ook nog nooit had zien uitvoeren. Het begint meteen goed met dochter Bertha die krijsend en spattend met een jongen door de plassen stampt; het heeft tempo en venijnige humor. Regisseur Luk Perceval heeft een nieuwe interpretatie van de seksenstrijd tussen de ritmeester en zijn vrouw gevonden: niet alleen Laura is een rancuneus kreng, ook manlief heeft zijn streken. De jarenlang opgekropte haat ontlaadt zich in wederzijdse offensieven, en het slachtoffer is Bertha. Ze heeft aan niemand houvast, is totaal geremd en heeft af en toe fatale uitbarstingen van joligheid. In deze psychologisch verantwoorde voorstelling hoeft de gedrongen Voader met zijn korte beentjes niet het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, en als hij niet gestorven is, dan tyranniseert hij nu nog.

Luk Perceval heeft Tsjechovs Ivanov gedaan bij Het Nationale Toneel, en bewijst daar zijn fijne gevoel voor tempo en ritme. Hij laat de acteurs op de lege voorste rijen stoelen spelen en verplaatst het verhaal over verlammende onzekerheden naar de huidige tijd. De titelfiguur, talentvol en ooit vol plannen, wil in het stuk eigenlijk niets meer en laat zich leven. Zelf niet tot liefde in staat boort hij de hoop van zijn vrouwen de grond in, tot hij aan verveling en spleen te gronde gaat.

Gelukkig is er geen overdaad aan couleur locale of afscheidsweemoed. De in hoog tempo gespeelde handeling zou overal en nergens kunnen plaatsvinden. Jammer dat de diepgang van Tsjechov en althans een vleugje Russische traditie en mentaliteit geen moment over het voetlicht kwamen. Maar daarin slaagde ook De Trust niet in een liefst vijf uur durende enscenering van Platonov waarover ik maar niet verder zal uitweiden.

De actuele stukken, hoe verschillend ze op het Festival ook werden geïnterpreteerd, verwijzen uitsluitend naar een toestand, de vereenzaming van de mens en zijn onvermogen zich verstaanbaar te maken. Franz Xaver Kroetz vertelt in zijn Stallerhof, onder regie van Johan Simons, over een kleine boer en zijn gezin. In hun dwangbuis van archaïsche gedragsregels leven ze maar zo'n beetje voort, totdat hun debiele dochter een instinctieve genegenheid opvat voor de oude knecht en zwanger raakt. Een banale geschiedenis, waarvoor Theatergroep Hollandia in de Grote Kerk een esthetisch en artistiek overtuigende vertolking heeft gevonden, die overkomt als een wereldlijke tragedie in een middeleeuws mysteriespel. Het falen van de personages wordt getoond alsmede de waardigheid van het onteerde dochtertje, dat tegen alle vermaningen in haar kind ter wereld brengt.

Nieuw-West bracht A Hard Day's Night van Rob de Graaf, een monoloog van een drop-out. Marien Jongewaard ontpopt zich als entertainer. Frustratie, en ook een hang naar kapotmaken komen bij hem naar buiten, en af en toe wat huilerigheid. De jongen heeft een grimmig soort humor, voert in zijn eentje gesprekken met de gehate CO-OP en met vrouwen, speelt met zijn mes en krijgt poëtische neigingen als hij droomt van harmonie. Een stakker die tegen alles en iedereen is maar zich nooit zal inzetten voor iets nuttigs.

Naar aanleiding van een fotoserie van Anders Petersen, die in een Hamburgs café het geestelijk en lichamelijk verval van mensen had geregistreerd, is het theaterstuk Café Lehmitz ontwikkeld, naar een idee van Beppie Melissen. Deze coproduktie van theatergroep Carver en het Onafhankelijk Toneel (regie Mirjam Koen) is een serie ontmoetingen tussen gestrande mensen die niemand nodig heeft. Ze zijn op zoek naar wat warmte en naar belangstelling voor hun lot. Vermeende genegenheid slaat om in agressie, clowneske grappen krijgen iets tragikomisch, bij voorbeeld wanneer de Turk dodelijk bedroefd en gracieus op muziek van thuis danst, of de schrale Duitser in pantomime de grote Zampano imiteert, of als beide mannen hun sjofele jassen openslaan alsof ze er kostbaarheden, en misschien zelfs vrouwelijke verlokkingen onder verborgen houden.

Café Lehmitz herinnert af en toe het aan groteske scènes van Pina Bausch. Maar de acteurs hebben een persoonlijke inbreng en ze tonen de moed om lelijkheid en sociale misstanden uit te beelden. Het lachen, uit onvermogen tegenover mensen die kansloos zijn en alle hoop allang hebben laten varen, stokt je in de keel. Is het gedaan met de vriendelijkheid in de wereld?