Indiase cineaste Mira Nair imponeert op het Filmfestival van Venetië; Mississippi Masala grote kanshebber

VENETIË, 9 SEPT. Het filmfestival van Venetië zit er voor de helft op en het is inmiddels gerechtvaardigd om te kijken of directeur Biraghi gelijk had met zijn trots op het programma. Voorlopig kan worden vastgesteld dat Venetië er dit jaar in is geslaagd een aantal waardevolle films samen te brengen. Dat Biraghi het had over een "geweldig' aanbod, lijkt tot nu toe nog overdreven, maar van "bijzonder' kan zeker worden gesproken.

Zo had ik Ecrans de sable van de Tunesische cineaste Randa Chahal Sabbag niet willen missen. De film is vaak gesloten, meermalen ontgingen mij de details. Maar wat bijblijft is de verscheurende verlatenheid waaraan een straffe islamitische politiek vrouwen, maar ook mannen, onderwerpt. Sabbag huivert voor realisme, wij moeten het doen met een bijna abstracte weergave van het desolate bestaan van een vrouw in een oliestaat. Zij baadt in weelde en zit tegelijk gevangen - een gezicht achter een chador, uitdrukkingsloos als de zandvlakte die haar wereld vormt.

Tot nu toe is één film vertoond die in aanmerking zou kunnen komen voor een van de Gouden Leeuwen: Mississippi Masala van Mira Nair uit India. Mira Nair is na het internationale succes van haar debuut Salaam Bombay! door een combinatie van Hollywood- en onafhankelijke producenten uitgenodigd om een film in de Verenigde Staten te maken. Dat gebeurt vaker, meestal met als resultaat roofbouw: juist wat een niet-Amerikaanse cineast onderscheidt, wordt weggemasseerd ten gunste van wat doorgaat voor de smaak van een doorsnee filmpubliek, en wat rest is hooguit middelmatig. Maar Nair is erin geslaagd een zeer eigen film te maken. Zij ging zelfs niet ten onder aan de casting van een geaccepteerde Hollywood-ster. Sterker, ik zag Denzel Washington, want die is het, niet eerder zo goed spelen als in Mississippi Masala.

Nair vertelt met haar film twee parallelle verhalen, een over een vader, de ander over zijn dochter. Wij zien hoe een Indiase man, geboren en getogen in Oeganda, onder het terreur-regime van Idi Amin met zijn jonge gezin het land wordt uitgezet. Reden: Afrika is nu voor de Afrikanen, niet voor jullie Indiërs. Wanneer zijn dochter, jaren later in het nieuwe vaderland Amerika, verliefd wordt op een zwarte jongen, krijgen de gelieven niet alleen te maken met de oververhitte reacties van hun respectieve, door Nair aandoenlijk getypeerde, milieus. De vader is getraumatiseerd door het verleden en extra scherp gekant tegen de vriend van zijn dochter, al zal hij niet toegeven hoe dat komt.

Mira Nair maakte van Mississippi Masala geen pamflet en ook geen tragedie, hoewel zij niemand de noodzakelijke onaangenaamheden bespaart. Doordat zij haar camera aanminnig laat kleven aan de personages, en doordat zij de acteurs begeleidt en ruimte geeft in intieme details, schept zij een mooi licht kader voor haar onnadrukkelijke trant van betogen. Knap is hoe zij haar film besluit. Niet met het happy end van de gelieven. Dat is er wel, maar als besluit zou het te behaagziek zijn. Nair neemt haar publiek mee naar Oeganda, om de vader zijn rust te zien zoeken. Pas daar componeert zij het slot voor haar film.

Onevenwichtig en niet volledig overtuigend, maar boeiend genoeg is Schrei aus Stein van Werner Herzog. Een fysieke film, zoals alleen Herzog ze kan maken, over het beklimmen van de Cerro Torre, een als onneembaar bekend staande bergtop in Patagonië. Herzog wil laten voelen wat professioneel klimmen is. Hij wil ons onder de kou en de vermoeidheid laten lijden, hij wil laten horen hoe beangstigend een lawine kan suis-donderen, en hij wil ons laten kennismaken met de waanzin die rotstoppen kunnen oproepen. Twee alpinisten staan tegenover elkaar, tegenover een ervaren klimmer staat een jonge kampioen, die door de oudere als een salonklimmertje wordt beschouwd. Tussen hen duikt af en toe een licht getikte man op, die de helft van zijn vingers verloor - bij het beklimmen van de Cerro Torre, zegt hij.

In het, samen met alpinist Reinhold Messner bedachte, verhaal roert Herzog koortsachtig de verschillende aspecten aan van de bergsport. Het meest aangrijpend zijn de momenten dat de film zoekt naar een antwoord op de vraag wat zulke klimmers toch willen. Waarom zij ervoor kiezen in constant levensgevaar te bungelen aan scherpe, besneeuwde richels. Op de geanimeerde persconferentie, met Herzog als zachtmoedig middelpunt, formuleerde Reinhold Messner een mogelijk antwoord: “Zulke bergen sluiten de mens uit. En die uitdaging nemen alpinisten aan.” En precies dat toont ons Schrei aus Stein.

En dan was er de bewerking die Derek Jarman maakte van Edward II het toneelstuk van Christopher Marlowe. Marlowe was een tijdgenoot van Shakespeare en een vergelijking van Jarmans film met Prospero's Books van Peter Greenaway ligt voor de hand. Op het eerste gezicht hebben de twee films niets met elkaar te maken, en toch zijn zij uit op hetzelfde. Beide regisseurs streven naar een nieuwe manier van vertellen op film. Greenaway wendde zich tot de mogelijkheden die video en televisie te bieden hebben. Zijn landgenoot Jarman zien wij een zelfde blik richten op het toneel. En net als Greenaway lukt het hem dat andere, van film wezensvreemde medium dusdanig te gebruiken dat er iets ontstaat dat filmisch vernieuwend is. Edward II heeft een lichtontwerp volgens toneeltechnieken, de mise en scène en acteursregie zijn ontleend aan het toneel, en ook de opvatting van het stuk, over de middeleeuwse Koning Edward die zijn troon en zijn leven verliest dank zij zijn, in Jarmans opvattingen nadrukkelijk homoseksuele, liefde voor een boerenjongen, herinnert aan het hedendaags theater - bijvoorbeeld aan de inzichten die in Nederland werden ontwikkeld door Gerardjan Rijnders en Frans Strijards. In Edward II is sprake van een post-moderne opeenstapeling van lukraak geroofde elementen, van ballet, van populaire en klassieke muziek, mode, literatuur en de actuele Britse politiek. Jarman verslikt zich soms, maar hij levert een intrigerende film af, beslist geen verfilmd toneelstuk.

Vergeleken met Jamans film is A divina comédia van de Portugese eminence grise Manoel de Oliveira achterhaald. In statische gesprekken discussiëren de bewoners van een krankzinnigeninrichting, die allen de persoonlijkheid hebben aangenomen van fameuze personen uit de filosofie en de literatuur. Deze allegorie volgens het voorbeeld van Dante's La divina commedia, wordt puur theatraal aangepakt, met lange gesprekken in literaire taal. Maar Oliveira's film doet geen stap vooruit dank zij dat toneel. Hij is toneelmatig van aanpak en sleept zich voort, van het ene mooie plaatje naar het andere.