Heimwee naar de bomen aan de Oranjelaan

Irian Jaya (West-Irian) is Indonesiës meest oostelijke provincie, het vroegere Nederlands Nieuw Guinea, dat in 1962 werd overgedragen. Jarenlang konden officiële Nederlandse missies het gebied niet bezoeken, maar onlangs zette een delegatie van Tweede-Kamerleden opnieuw voet in het land van de Papoea's. Dit is, naar aanleiding daarvan, het eerste van een serie van vier achtergrondverhalen over Irian Jaya.

JAYAPURA (IRIAN JAYA), 9 SEPT. “Dit, meneer, was vroeger de Oranjelaan. De Indonesiërs kwamen, hakten de bomen om en wat overbleef, vernoemden ze naar een generaal.” Een Papoea met grijzend kroeshaar, in zijn jonge jaren ambtenaar bij het Binnenlandse Bestuur van Nederlands Nieuw-Guinea, geeft een bondige schets van “de overgang” in de jaren zestig, toen Hollandia werd omgedoopt tot Jayapura, "Stad van de Overwinning'.

De zegevierende partij was de Republiek Indonesië; niet de groep nationalisten die had gehoopt op een onafhankelijk West-Papoea. Diep in de bossen van Irian leveren sommigen een achterhoedegevecht met de “overwinnaars”, maar onder de Papoea's in de hoofdstad Jayapura overheerst een gevoel van frustratie.

Het Nederlandse verleden is in Irian Jaya dichterbij dan elders in Indonesië. De herinneringen aan die tijd leven vooral bij de autochtone bevolking. Naar schatting eenvijfde van de ruim 1 miljoen inwoners van Irian Jaya is afkomstig uit andere delen van Indonesië, vooral Java en Sulawesi (Celebes). Deze pendatang (nieuwkomers, immigranten) hebben weinig begrip voor de bij vlagen nostalgische manier waarop ontwikkelde Papoea's praten over de “Hollandse tijd”.

Een hoge ambtenaar in het kantoor van de gouverneur kijkt verbaasd als ik hem vraag of hij blij was met het vertrek van de Nederlanders in 1962 en antwoordt in vlekkeloos Nederlands: “Nee meneer, ik ben geen Javaan”. Jayapura, gebouwd op de plaats waar een smal rivierdal uitmondt in een beschutte baai, onderscheidt zich op het eerste gezicht nauwelijks van andere Indonesische provinciesteden. De bevolking is zo gemengd dat de donkere, Melanesische trekken van de oorspronkelijke bewoners op straat nauwelijks opvallen. De meeste pendatang zijn Javanen, op de voet gevolgd door Makassaren en Buginezen - beide uit Sulawesi - en Ambonezen.

De plaatselijke horeca en detailhandel zijn hoofdzakelijk in handen van Chinezen en Makassaren. Die laatsten hebben onder de inheemse bevolking een slechte naam. Ze gaan door voor prijsopdrijvers, die het leven in Jayapura extra duur maken. Omdat Irian Jaya met uitzondering van mijnbouwondernemingen geen industrie van betekenis heeft, worden bijna alle verpakte consumptie-artikelen per schip of vliegtuig aangevoerd met alle gevolgen van dien voor de verkoopprijzen. Ambtenaren in Jayapura krijgen een toeslag van 20 procent voor de hoge kosten van levensonderhoud.

Onder die omstandigheden roept de Makassaarse tussenhandel in verse groenten veel weerstanden op. De Makassaren betalen de inheemse boeren uit de omgeving een grijpstuiver en verkopen het produkt duur op de markt. Dit ressentiment vormde de achtergrond voor een uitbarsting van geweld op de markt van Jayapura in 1984. Het incident werd door de autoriteiten op het conto geschreven van de afscheidingsbeweging Organisasi Papua Merdeka (Beweging Vrij Papua, OPM), waarna Papoea's die betrokken waren bij het voorval de wijk namen naar het naburige Papua New Guinea.

Wie geen overheidsbaan heeft of over een eigen handel beschikt, kan zich eigenlijk niet staande houden in Jayapura. Langzamerhand gaat het vriendelijke, het dorpse voorkomen van Jayapura wat grimmiger stedelijke trekjes vertonen. Openbare dronkenschap, vooral onder de inheemse bevolking, begint in het oog te lopen en de trek naar de stad van in het binnenland mislukte transmigranten leidt tot groeiende huisvestings- en sanitaire problemen. Dieper in het dal en ook langs de baai ontstaan de eerste sloppenwijken.

Aan de noordzijde van de haven, tegen de hellingen van het dal, woont het gegoede Jayapura. Daar huisden in de jaren vijftig de notabelen van Hollandia, zoals de gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea. In 1960 begon het Binnenlands Bestuur met de uitvoering van een Driejarenplan voor de ontwikkeling en de uitbreiding van Hollandia.

De laatste fase, de bouw van de villawijk Hemelpoort, was gepland voor 1963. Eind 1962 maakten de Nederlanders echter plaats voor een overgangsbestuur van de Verenigde Naties. De resterende 50 miljoen dollar van het Driejarenplan kwamen onder beheer van de VN en werden na jaren touwtrekken overgedragen aan de Indonesische autoriteiten. Zij voltooiden de geplande villawijk, maar nu onder de naam Nirwana.

Eveneens aan de noordzijde van de baai, beneden aan de boulevard, staat het kantoor van de gouverneur van de provincie Irian Jaya. Rondom het middaguur stromen ambtenaren in de kaki-kleurige uniformen van de standsorganisatie KORPRI over de marmeren trappen naar buiten. Ik tel ongeveer evenveel Maleise als Melanesische typen. Een Papoea in KORPRI-pak koopt een snack bij een warung-houdster in Javaanse dracht. Het provinciaal bestuur onder leiding van gouverneur Barnabas "Bas' Suebu, een Papoea die zijn opleiding kreeg aan protestantse zendingsscholen, is er oprecht op uit om de economische positie van de Papoea-bevolking te versterken en zoveel mogelijk inheemse ambtenaren aan te stellen.

Tot dusverre bekleden Papoea's hoofdzakelijk lagere ambtelijke rangen. De enkele hoger geplaatste Papoea wordt bijgestaan door twee of meer “assistenten” van elders. Het probleem is dat er onder de tien sollicitanten naar een ambtelijke post gemiddeld maar één Papoea is. Van Irians enige hogeschool, de Universitas Cenderawasih, komt 60 procent van de studenten van buiten tegen 40 procent Papoea's. Het voornemen van de rector om deze verhouding volgend jaar om te draaien is wel erg ambitieus; er zijn eenvoudigweg niet voldoende inheemse jongeren met een afgeronde middelbare schoolopleiding.

Gouverneur Suebu: “Iedere Indonesische staatsburger heeft het recht zich in Irian Jaya te vestigen. Maar we realiseren ons dat de inheemse bevolking alleen kan concurreren met de groeiende stroom pendatang als we bijzondere aandacht schenken aan hun scholing en positie op de arbeidsmarkt om te voorkomen dat ze in de vrije concurrentie met nieuwkomers ten onder gaan. Inheemse boeren dreigen het op de markt al snel af te leggen tegen ervaren handelaren van buiten. De mensen uit het bos zijn goede landbouwers, maar om te overleven moeten we ook goede kooplui van hen maken. In bepaalde gevallen kan die bijzondere aandacht ook de vorm aannemen van protectie, maar dat mag niet te lang duren, anders worden ze niet zelfstandig”. Wie zich realiseert dat de vaders van veel Papoea-studenten in Jayapura nog met de hak hun groentetuinen in het binnenland bewerken, beseft dat de door Suebu bepleite inhaalmanoeuvre in een razendsnel tempo moet verlopen. Met alle onzekerheid en frustraties vandien. Die vinden een uitweg in dromen, die vanouds een belangrijke rol spelen in de culturen van Irian. Die dromen zijn een curieuze mengeling van een christelijke heilsverwachting en een wat abstract onafhankelijkheidsideaal.

Toen Thomas Wainggai op 18 december 1988 in Jayapura de Republiek Vrij West-Melanesië uitriep, werd hij toegejuicht door vele inheemse studenten en scholieren. Wainggai werd opgepakt en zit een gevangenisstraf van 20 jaar uit in de Cipinang-gevangenis van Jakarta. Een jaar later, op 14 december 1989, organiseerde de Papoea-ambtenaar drs. Alberth S. Kailele een gebedsbijeenkomst in Kota Raja ter herdenking van de proclamatie van 1988. De deelnemers droegen speciale t-shirts en voerden spandoeken mee. Dat kwam Kailele te staan op 17 jaar celstraf wegens “subversieve activiteiten”. In de weken voorafgaande aan de bewuste plechtigheid staakte een aantal Papoea-studenten de studie. Op die magische 18de december zouden ze immers als vanzelf hun bul krijgen. Van ten minste negen van hen werd de droom ruw verstoord: zij werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen en zitten nu in de Kalisosok-gevangenis van Surabaya. Gouverneur Suebu erkent dat er onder de inheemse bevolking van Irian onvrede, angst en frustratie leven, die onder meer een uitweg vinden in separatistische idealen. Suebu: “Sommigen komen in opstand tegen de bestaande politieke orde, anderen nemen de wijk. Dit heeft tijd nodig. Als het welzijn van ons volk toeneemt en het politieke bestel de bestaande problemen opener tegemoettreedt en serieus aan oplossingen werkt, zal ook dit vraagstuk verdwijnen”.

Tijdens een recent seminar in Jakarta noemde Suebu het probleem bij zijn naam. Hij vergeleek de verhouding tussen Irian en de Republiek Indonesië met die tussen een huishouden en de omringende kampong. Suebu: “Het huishouden Irian geeft de hele kampong te eten; tegelijkertijd laat de kampong dit huishouden verhongeren”. Met deze ondubbelzinnige beeldspraak vroeg de gouverneur aandacht voor het feit dat Irian per jaar slechts 5 miljard rupiah (ongeveer 5 miljoen gulden) krijgt uit de centrale belastingpot, een aalmoes die niet in verhouding staat tot de staatsinkomsten in de vorm van royalty's en belastingen uit de winning van hout, koper en goud in de provincie. Zolang deze kloof blijft bestaan, zullen jonge Papoea's dromen van een Irian zonder pendatang en denken ouderen in Jayapura met weemoed aan de tijd dat er bomen stonden langs de Oranjelaan.